In memoriam: 'Voor galawedstrijden trok Robbie zijn smoking aan'
PRO

In memoriam: 'Voor galawedstrijden trok Robbie zijn smoking aan'

Rob Rensenbrink was een van de meest creatieve en eigenzinnige linksbuitens uit de geschiedenis van het Nederlandse voetbal. De Amsterdammer die meer furore maakte in België dan in Nederland, overleed afgelopen vrijdag op 72-jarige leeftijd.

De echo uit het verleden spreekt ook vier decennia later nog steeds tot de verbeelding. De beelden zijn groezelig en flets van kleur, de onmiskenbare commentaarstem is van Theo Reitsma en het moment is een van de meeste markante uit de Nederlandse voetbalhistorie. ‘Rensenbrink? Tegen de paal! Rensenbrink tegen de paal! Tjonge, jonge, wat was dat… Bijna de Wereldbeker voor Nederland.’

Het was 25 juni 1978. In de WK-finale tussen Argentinië en Nederland was de stand 1-1, de klok was voorbij de negentig minuten gegaan en Ruud Krol zette Rob Rensenbrink met een prachtige pass schuin voor het Argentijnse doel. Rensenbrink werd in die dagen vanwege zijn onnavolgbare dribbels en fluwelen techniek Het Slangenmens genoemd. Ach, had hij op die avond in Buenos Aires maar iets meer van de mortaliteit van de Zwarte Mamba in zich gehad. Dan was Nederland wereldkampioen geworden.

'Ach die paal, altijd weer die paal. Het zal tot mijn dood zo blijven'

In plaats daarvan was er in Estadio Monumental die misser voor de eeuwigheid. Ren-sen-brink-en-de-paal. Het werd één woord van zes lettergrepen. ‘Ik blijf erbij, het was geen echte kans’, zou hij zelf later zeggen. ‘Ik kreeg mijn voet nog tegen de bal en raakte de paal. Meer kon ik niet doen…. Ach, die paal, altijd weer die paal. Het zal tot mijn dood zo blijven.’

Hét moment uit zijn leven: Rensenbrink schiet tegen de paal in de slotseconden van de WK-finale van 1978 in en tegen Argentinië.
Hét moment uit zijn leven: Rensenbrink schiet tegen de paal in de slotseconden van de WK-finale van 1978 in en tegen Argentinië.

Gracieus

En nu is-ie dood en gaat het nog steeds over die bal op de paal. Rensenbrinks weelderige carrière omvat echter veel meer dan dat ene moment. Met Anderlecht won hij onder meer twee kampioenschappen en twee keer de toenmalige Europa Cup voor bekerwinnaars. Zowel in de finale tegen West Ham United in 1976 als in de eindstrijd tegen Austria Wien twee jaar later, maakte Rensenbrink twee goals. Of zoals Raymond Goethals, zijn trainer bij Anderlecht het zo mooi verwoordde: ‘Voor galawedstrijden trok Robbie zijn smoking aan.’

'Johan Cruijff was de beste van allemaal. Waar ik mezelf in dat rijtje plaats? Moeilijk. Ik kon wel iets, maar speelde wel elf jaar in België. Dat is toch anders'

En eenmaal in gala kreeg voetballen het gracieuze karakter van dansen. Rob Rensenbrink was een wervelwind op links. Snelle en sierlijke passeeracties, strakke kapbewegingen, wapperende manen en prachtige doelpunten, vaak gemaakt met de fameuze linkerwreef. Met hem verliest Nederland een van de meest eigenzinnige en creatieve linkerspitsen die ons voetbal ooit voortbracht.

Dat vond hij zelf ook overigens. In 2017, vijf jaar nadat bij Rensenbrink de spierziekte PSMA was geconstateerd, zei hij: ‘Ik leef nog, ja. Maar toch. Eerst Coen Moulijn dood, daarna Piet Keizer. Ik zal wel de volgende zijn, toch?’ Johan Cruijff was toen al meer dan een jaar overleden. ‘Cruijff was de beste van allemaal. Waar ik mezelf in dat rijtje plaats? Moeilijk. Ik kon wel iets, maar speelde wel elf jaar in België. Dat is toch anders.’

Prominenten over Rensenbrink

VRIEND EN OUD-PLOEGGENOOT JAN MULDER:
‘Rob was als voetballer een genot voor het oog en als mens een bescheiden, introverte, vrolijke kerel. Dit is een groot verlies.’
‘Rensenbrink dateerde uit een tijd dat je nog langs een aantal spelers kon dribbelen zonder een doodschop te krijgen, maar hij deed dat met zoveel gratie...’
‘Hij is nog beroemder in België dan in Nederland. Rob Rensenbrink is zo groot als Piet Keizer. Alleen Johan Cruijff was beter. Robbie is echt een Belgisch icoon geworden. De beste voetballer aller tijden op de Belgische velden.’
‘Hij had een beeldschone stijl. Prachtig om te zien. Nog iets sierlijker dan Cruijff. En effectief. Als linksbuiten een enorme doelpuntenmaker.’
‘Toen hij stopte, ging hij in Oostzaan wonen. Aan een watertje zitten met een hengel, lekker vissen. Dat was voor hem genoeg. Hij heeft zich nooit laten voorstaan op zijn succes. Een fijne vent.’

ANDERLECHT-SPELER/COACH VINCENT KOMPANY VIA TWITTER:
‘Een echte Anderlecht-legende is helaas van ons heengegaan. Prachtige voetballer, clubicoon. Het Slangenmens, de mooiste linksbuiten die de club ooit heeft gehad. Veel sterkte aan de familie en aan iedereen die dicht bij hem stond. RIP Robbie Rensenbrink #LEGEND’

OUD-PLOEGGENOOT WIM RIJSBERGEN:
‘Rob was een van de meest getalenteerde voetballers met wie ik heb mogen spelen, echt een bijzondere speler. Een bescheiden en aardige vent buiten de lijnen, maar op het veld een van de groten. Hij is in België een heel grote meneer geworden, een begrip. Rob was technisch heel begaafd. Hij slalomde echt door de verdedigingen en dat zie en zag je maar heel weinig.’
‘Jammer dat de jonge mensen niet hebben kunnen zien hoe goed hij was. Hij zou ook nu een heel grote speler zijn geweest.’
‘Op het WK in 1978 was Cruijff er niet bij en was Rob de smaakmaker. Misschien wel omdat hij een beetje onder het juk van Johan vandaan was. In België had hij toen al laten zien een dragende speler te kunnen zijn.’
‘Zijn overlijden is een groot verlies. De sportwereld is weer een grote jongen kwijtgeraakt.’

VOORMALIG ARGENTIJNS INTERNATIONAL OSVALDO ARDILES VIA TWITTER:
‘Rust in vrede, Rob Rensenbrink. Een uitstekende speler. We hadden tijdens de WK-finale van 1978 veel problemen met hem. Mijn condoleances aan zijn familie en vrienden.’

OUD-PLOEGGENOOT WILLEM VAN HANEGEM IN HET AD:
‘Op het middenveld liep ik in 1974 uiteraard achter hem en dan zag ik die prachtige schijnbewegingen met zijn lichaam. De bal ging dan rechtdoor en Robbie zelf ging van links naar rechts. Daarom noemden ze hem Slangenmens. Mensen zeggen nu: Dan gaven ze hem toch gewoon een schop? Maar dacht je dat ze in die tijd niet probeerden hem te raken? Robbie was zo behendig.’
‘In 1974 was hij onze linkerspits. Maar Robbie was nog veel beter als hij een vrije rol kreeg. Zoals bij Anderlecht. In die Europese finales tegen West Ham United en Austria Wien was hij geweldig, omdat hij zelf mocht lopen waar hij wilde. Anderlecht was in die tijd een heel grote club en Robbie was daar de grote man. Hij kon naar Real Madrid en Inter, maar die Belgen lieten hem niet gaan.’ (TvdL)

Furore

Het was immers de tijd dat voetbal lang niet zoveel op televisie was als nu. En voetbal uit het buitenland al helemaal niet. De prestaties van Rensenbrink waren groots, maar het hoe en wat kwam vooral tot ons via de overlevering. In mistige flarden dus. Dat hij in België furore maakte en niet in Nederland, was vreemd. Rensenbrink was een geboren Amsterdammer en met zijn spelkenmerken uitermate geboetseerd als Ajax-speler, maar toch werd hij één van de beste voetballers ooit die niet door Ajax werden ingelijfd.

‘Dat lag aan Ajax, hoor. Ik speelde bij OSV in Oostzaan toen Ajax zich meldde. Het salaris dat die club bood was echter een lachertje.’ Rensenbrink, een tiener nog, koos voor DWS, dat een jaar eerder kampioen van Nederland was geworden en waar voorzitter en ondernemer Henk Solleveld hem een full-profcontract aanbood, destijds een zeldzaamheid in het Nederlandse voetbal. ‘Ik was leerling-timmerman in de bouw en kon direct stoppen met werken.’

Het elftal van DWS in oktober 1966. Achteraan vanaf links: Jan van de Zande, Jos Vonhof, Jan Jongbloed, André Pijlman, Theo Cornwall en Pieter van Ingen. Vooraan: Frans Geurtsen, Piet Boogaard, Pim Waaijenberg, Piet Kruiver en Rob Rensenbrink.
© Nationaal Archief
Het elftal van DWS in oktober 1966. Achteraan vanaf links: Jan van de Zande, Jos Vonhof, Jan Jongbloed, André Pijlman, Theo Cornwall en Pieter van Ingen. Vooraan: Frans Geurtsen, Piet Boogaard, Pim Waaijenberg, Piet Kruiver en Rob Rensenbrink.

Vier seizoenen speelde Rensenbrink bij DWS en vooral in het derde begon zijn ster te rijzen. Hij maakte dat seizoen als linkerspits tien goals en bondscoach Georg Kessler riep hem in mei 1968 voor het eerst op voor het Nederlands elftal. Rensenbrink was rijp voor de top, maar Ajax had Piet Keizer als linksbuiten en Feyenoord beschikte over Coen Moulijn. Met Feyenoord sprak Rensenbrink concreet over een overstap, maar de Rotterdammers hikten aan tegen de destijds forse transfersom van 450 duizend gulden die DWS vroeg.

'In vergelijking met de Nederlandse salarissen betaalde Club Brugge heel goed. Bijna drievierde meer. Ik dacht: Nou…'

Toen het Club Brugge van de Nederlandse trainer Frans de Munck in 1969 wel bereid was om dat bedrag te betalen was bestemming België voor Rensenbrink een feit. De Belgische competitie was in de jaren zestig en zeventig vooraanstaand en financieel aantrekkelijk voor Nederlandse spelers. Ruud Geels, Arie Haan, Jan Mulder, Jan Boskamp, Nico Jansen, Henk Houwaart, Barry Hulshoff, Nico de Bree en Rob Rensenbrink; ze bezweken allemaal voor de verlokkingen van de bruisende stad Brussel en haar ommelanden. ‘In vergelijking met de Nederlandse salarissen betaalde Club Brugge heel goed. Bijna drievierde meer. Ik dacht: Nou…

Anderlecht

Van de Ollanders in den vreemde werd Rensenbrink zonder twijfel de meest bejubelde. In Brugge verdiende hij zijn bijnaam door een indrukwekkende wedstrijd met drie doelpunten tegen Újpest Dosza. Na afloop was de Hongaarse trainer Lajos Baróti nog verbouwereerd. ‘Die jongen Rensenbrink kronkelde als een slang over het veld.’ Rensenbrink was slangenmens geworden en Anderlecht-voorzitter Constant Vanden Stock moest en zou hem in 1971 naar Brussel halen. De aanvaller werd geruild tegen Wilfried Puis, een international, met daarbij Johnny Velkeneers, een verdediger, en ook nog eens zes miljoen Belgische francs.

Bij Anderlecht tekende Rensenbrink een contract voor zeven jaar en hij heeft er verschillende keren spijt van gehad. Na verloop van tijd waren Real Madrid en Inter Milaan hevig in hem geïnteresseerd en met de Italianen had hij zelfs een onderhoud in Rotterdam, waarbij de Nederlandse Inter-legende Faas Wilkes mee aan tafel zat. Het was de tijd dat voetballers na afloop van hun contract nog niet vrij waren om te gaan en te staan en alle macht bij de clubs lag. ‘Als het op transfers aankwam werkte Anderlecht steeds niet mee’, verzuchtte Rensenbrink later meermalen.

Rob Rensenbrink scoort voor Anderlecht tegen West Ham United in de EC II-finale van 1976.
Rob Rensenbrink scoort voor Anderlecht tegen West Ham United in de EC II-finale van 1976.

Begeerd door de elite van Europa. Zo groots was-ie dus. Rensenbrink ging gaandeweg zozeer van België houden, dat het voor hem voelde als thuiskomen wanneer hij de grens overstak. En België hield van hem. Bij Anderlecht groeide hij uit tot de spelbepalende aanvaller die de ploeg met zijn scorend vermogen, overzicht en passes naar twee titels en vier bekers leidde.

In 1976 kreeg hij de Gouden Schoen voor beste speler in België en eindigde hij op de tweede plaats bij de Ballon d’Or, de verkiezing van Europees voetballer van het Jaar van France Football. In 2007 verkoos een uit trainers bestaande jury – onder wie Jan Ceulemans en Paul Van Himst – Rensenbrink tot de beste buitenlandse voetballer die ooit actief is geweest in de Belgische competitie. Want het was zoals Raymond Goethals zo treffend verwoordde: ‘Als Anderlecht een nieuw stadion heeft gebouwd, heeft Robbie minstens voor de financiering van één tribune gezorgd.’

'Ik kan met iedereen opschieten, maar als ik aan iets of iemand een hekel krijg, blijft het lang hangen'

De beste van allemaal verliet het Astridpark in 1980. Aan dat vertrek lag zijn onverdraagzaamheid jegens Arie Haan ten grondslag. ‘Na het WK in Argentinië kreeg Haan een dikke nek, zoals dat in België heet. Daar had ik moeite mee, toen is het geëscaleerd en uit de hand gelopen.’ Rensenbrink ging zich steeds meer ergeren aan de sfeer in de Brusselse kleedkamer. Er werd achter zijn rug om gekletst, er werd gekonkeld. Het doorgaans zo rustige karakter kwam in opstand. ‘Zo ben ik nu eenmaal: ik kan met iedereen opschieten, maar als ik aan iets of iemand een hekel krijg, blijft het lang hangen.’

Amerika

Net als generatiegenoten als Johan Cruijff, Johan Neeskens en Wim Rijsbergen koos Rensenbrink voor een avontuur in Amerika en hij sloot zich aan bij de Portland Timbers. Na ook nog een seizoen bij het Franse Toulouse zette Rensenbrink in 1982 een punt achter zijn carrière, op 34-jarige leeftijd. Rensenbrink haalde zijn trainersdiploma op een cursus die amper zijn goedkeuring kon wegdragen. ‘Dan stond zo’n betweter me uit te leggen hoe ik een corner moest nemen.’ Noemenswaardige aanbiedingen om ergens coach te worden kreeg Rensenbrink niet en hij had er eerlijk gezegd ook moeite mee die jonge gasten constant achter hun vodden aan te zitten. Liever verloor hij zich in het vissen, zijn andere passie.

Anno 2017.
Anno 2017.

De laatste jaren kreeg Rensenbrink steeds meer last van PSMA, ofwel Progressieve Spirale Musculaire Atrofie, de over het algemeen minder agressieve variant van ALS. Zijn ledematen begonnen steeds meer te trillen, hij had moeite om een vork vast te houden en kreeg bijvoeding om het gewichtsverlies te compenseren. Drie jaar geleden kwam de ziekte ter sprake, toen Rob Rensenbrink in Amsterdam was uitgenodigd voor de presentatie van een boek uit de historische reeks Oranje Toen en Nu. Jaap Visser, co-auteur van het boek, interviewde Rensenbrink destijds voor een verhaal dat verscheen in Voetbal International.

'De dokter heeft gezegd: "We weten niet waar het vandaan komt en we weten niet hoe de ziekte zich ontwikkelt. Het kan met drie jaar gebeurd zijn, maar het kan ook wel dertig jaar duren"...'

Heb je pijn?

‘Nee, maar ik merk dat het minder wordt.’

De pijn?

‘Nee, ik merk dat het minder wordt met mij. Ik bedoel, het wordt erger, ik heb het idee dat ik toch wat vaker last heb. Pijn.’

Op stoom tegen Uruguay tijdens het WK van 1974 met Juan Carlos Masnik in de achtervolging.
Op stoom tegen Uruguay tijdens het WK van 1974 met Juan Carlos Masnik in de achtervolging.

Ben je bang?

‘Nee, maar soms denk je: Wat staat me allemaal te wachten? Als ik Fernando Ricksen zie, die ogen, dat verwilderde... En als ik die verhalen over Ton Pronk hoor….’

Wéét je wat je te wachten staat?

‘Nee, de dokter heeft gezegd: “Er zijn geen medicijnen tegen jouw ziekte, er zijn geen oefeningen die je kunt doen, we weten niet waar het vandaan komt en we weten niet hoe de ziekte zich ontwikkelt. Het kan met drie jaar gebeurd zijn, maar het kan ook wel dertig jaar duren”...’

Stilte.

Drie jaar leefde Rob Rensenbrink sindsdien nog. Vrijdag overleed hij, op 72-jarige leeftijd.

‘In Oranje heb ik me nooit honderd procent op mijn gemak gevoeld’

Toen Johan Cruijff in maart 2016 kwam te overlijden plaatste de Engelse krant The Guardian op de voorpagina een actiefoto van Rob Rensenbrink. De vergissing was pijnlijk, maar niet geheel onlogisch. Beide voetballers hadden een spits gezicht en een rank postuur, beiden droegen de haren lang en beiden hadden een fabelachtig linkerbeen. De twee Amsterdammers waren ook nog eens in hetzelfde jaar geboren, 1947.

De tegenstelling zat vooral in hun sterk uiteenlopende karakters. Rensenbrink was nuchter en bescheiden, Cruijff zelfbewust en extravert. ‘Buiten het veld had ik niet zo’n geweldige band met hem’, zei Rensenbrink eens, die Cruijff te dominant vond en hem een praatjesmaker noemde. Waar Rensenbrink bij Anderlecht het middelpunt van alle aanvallen was, daar moest hij bij Oranje toestaan dat hij in de schaduw stond van Cruijff. ‘Hij had heel erg de neiging naar mij toe te komen. Hij wilde zijn acties steeds op links beginnen en dan moest ik plaats voor hem maken.’

De collectieve vaderlandse jubel over het WK van 1974 heeft hij nooit gedeeld. Rensenbrink was in Duitsland van nut geweest, zo omschreef hij ooit, omdat hij deed wat Rinus Michels hem opdroeg: mannetje voorbij en dan bal afgeven. Rensenbrink scoorde ook, hij maakte de 2-0 tegen de DDR. En tegen Brazilië stuurde hij Ruud Krol diep, wat de inleiding was tot die schitterende goal van Cruijff die Nederland in de finale bracht. De eindstrijd tegen Duitsland eindigde ook voor Rensenbrink in een deceptie, want hij moest zich in de rust laten vervangen door een spierblessure in het bovenbeen.

Vier jaar later, tijdens het WK in Argentinië, was Cruijff er niet meer bij en kreeg Rensenbrink letterlijk de ruimte om uit te groeien tot de grote man van Oranje. Bondscoach Ernst Happel zag in Het Slangenmens de spil om wie alles draaide. Rensenbrink mocht alle strafschoppen nemen en maakte dat toernooi vijf goals. Toch had hij ook toen het idee dat sommige medespelers de andere kant opkeken als hij aanspeelbaar was. ‘Eigenlijk heb ik me in Oranje nooit honderd procent op mijn gemak gevoeld’, openbaarde Rensenbrink eens. Rensenbrink kwam tot 46 interlands en veertien goals.

In het boek 1974 Wij waren de besten van Auke Kok werd zijn naam genoemd in de zwembadaffaire. ‘Het spelershotel was destijds niet exclusief voor ons, dát was het probleem’, kwam Rensenbrink drie jaar geleden zelf terug op de netelige kwestie. ‘Wie een kamer had geboekt, mocht daar zwemmen. Toen wij na een wedstrijd nog met een paar jongens naar het zwembad zijn gegaan, kwamen daar een paar vrouwen bij. Wij konden ze toch niet tegenhouden? Het stelde echt helemaal niks voor, maar dat hele verhaal stond even later wel met grote letters in De Telegraaf. Daarna hebben alle spelersvrouwen opgebeld. Dat was natuurlijk niet leuk.’
'Ook in deze tijd was Rob Rensenbrink een grote speler geweest'
Gerelateerde artikelen