Vanuit asielzoekerscentra werd het een carrière van Bangladesh tot Libanon

Vanuit asielzoekerscentra werd het een carrière van Bangladesh tot Libanon

Update: 8 november 2025 om 09:04
Praat mee!
Journalist VI

Omid Popalzay (29) vluchtte als kleine jongen met zijn familie uit Afghanistan. Na zijn jarenlange verblijf in verschillende asielzoekerscentra slaagde hij erin om profvoetballer te worden. In zijn jeugd werd hij in één adem genoemd met grote Nederlandse talenten, maar uiteindelijk werd het voor hem een carrière van Bangladesh tot Libanon.

‘Ik kan me helaas weinig meer herinneren van mijn tijd in Afghanistan, maar van onze vlucht zijn me wel verschillende flitsen bijgebleven. Bijvoorbeeld dat we op een gegeven moment over een rivier heen moesten. Sommige mensen konden niet zwemmen, dus werden zij door anderen over het water gedragen. We zijn stiekem de grens met Pakistan overgegaan. We kropen over de grond, omdat we daar niet mochten worden gezien.’ 

‘We werden uiteindelijk snel opgepakt en belandden in een soort opvang, die meer weg had van een gevangenis. Uiteindelijk kwamen we in een asielzoekerscentrum terecht en zijn we vanuit daar naar Europa gegaan. Eerst Rusland, toen Oostenrijk, Duitsland, en in Nederland hebben we opvang aangevraagd. Eerst in Deventer, daarna in een asielzoekerscentrum in Wijchen, toen in Zwolle, en we hebben nog een tijdje met onze familie in een caravan in Schaijk gewoond.’

'We hadden drie slaapkamertjes in die caravan, maar voor de wc of de keuken moest je in gemeenschappelijke ruimtes in andere gebouwtjes zijn'

‘We hadden drie slaapkamertjes in die caravan, maar voor de wc of de keuken moest je in gemeenschappelijke ruimtes in andere gebouwtjes zijn. Daar konden we dan koken en we deelden een paar wc’tjes met heel veel mensen op het terrein. Nu klinkt dat best heftig, maar als kleine jongen wist ik niet beter.’ 

‘We zijn in elf jaar tijd steeds van opvang naar opvang gegaan. Het grootste deel van mijn jeugd heb ik uiteindelijk in een asielzoekerscentrum in Grave doorgebracht. Achteraf denk ik weleens: Wow, hoe hebben wij daar kunnen leven? We hadden maar twee kamers. Eentje was de woonkamer en in de andere kamer sliepen we met z’n zessen. We legden iedere avond meerdere matrassen op de grond. Als we wakker werden, ruimden we ze allemaal op en konden we die ruimte weer voor anderen dingen gebruiken. Ik vergeet nooit meer dat we uiteindelijk een eigen huis kregen. Het voelde zo luxe om ineens een eigen keuken, badkamer en wc te hebben.’


‘Het duurde voor ons ontzettend lang voordat we een verblijfsvergunning kregen. We waren gevlucht voor de Taliban en lang dachten ze in Nederland dat mijn vader een overheidsfunctie had bekleed. Jarenlang liep er een onderzoek naar hem, we konden maar niet bewijzen dat hij een totaal ander beroep had gehad. Hij werkte meer in de technische hoek, met walkie talkies. Voor mijn ouders was het een heel zware tijd, ze praten er ook liever niet over. In de Afghaanse cultuur werkt de man en regelt hij dat zijn gezin het financieel goed heeft. Alleen, door die onderzoeken mocht hij nog niet werken in Nederland. Hij kon weinig doen. Zijn leven was als een cd die iedere dag hetzelfde nummer afspeelde. Daar heeft hij het heel zwaar mee gehad. Hij werd depressief, zwak en ziek. Hij was altijd een sterke man geweest, maar in die fase zat het mentaal echt niet goed. Gelukkig zijn wij daar als gezin met z’n allen uitgekomen.’

‘Het leven in de azc’s heeft me mentaal sterk gemaakt en daarnaast vond ik het interessant om met zo veel verschillende culturen in aanraking te komen. Ik weet nog goed dat er ook vaak partijtjes voetbal werden gespeeld. De Somaliërs tegen de Koerden en de volgende dag bijvoorbeeld weer de Oezbeken tegen de Afghanen. Mijn vader speelde mee met die potjes en zo ontstond mijn interesse in het spelletje. Uiteindelijk voetbalde ik ook regelmatig met die oudere mensen en is daar mijn basis als voetballer gelegd.’

‘Op mijn twaalfde sloot ik pas voor het eerst aan bij een amateurclub, SV Estria. Al snel werd ik gescout voor regionale jeugdteams van de KNVB, maar het kwam allemaal pas echt in een stroomversnelling terecht toen ik als jongen van veertien bij Estria werd doorgeschoven naar een ouder elftal. Daar kreeg ik voormalig NEC’er Cees Kornelis als trainer. Hij zag écht iets in mij. Hij kwam ook naar mijn familie toe in het azc om uit te leggen dat ik een groot talent was. Wij hadden als familie geen idee wat voor mogelijkheden het voetbal mij kon geven, laat staan wat het verschil was tussen amateur- en profvoetbal.’

'Tot op de dag van vandaag vraag ik me weleens af hoe mijn leven was gelopen als ik twee jaar eerder mijn verblijfsvergunning had gekregen'

‘Uiteindelijk heeft Cees ervoor gezorgd dat ik op stage ging bij NEC en mocht ik in de jeugdopleiding komen voetballen. Het ging daar heel erg goed en bij de Onder-18 werd ik vergeleken met grote Nederlandse talenten als Frenkie de Jong, Abdelhak Nouri en Donny van de Beek. Ik werd in die fase ook twee keer gevraagd voor de jeugdteams van Oranje, maar ik had nog steeds geen Nederlands paspoort, waardoor dat helaas niet door kon gaan. Tot op de dag van vandaag vraag ik me weleens af hoe mijn leven was gelopen als ik twee jaar eerder mijn verblijfsvergunning had gekregen.’ 

‘Ik was ook ongeduldig en zag dat grote talenten bij hun clubs mochten aansluiten bij het eerste, terwijl ik nog in de Onder-23 van NEC rondliep. Achteraf geen slimme keuze, maar ik wilde bij een eerste elftal spelen en belandde in de Jupiler League bij Achilles ’29. Het eerste jaar was alles top geregeld, vanaf het tweede jaar ging er een hoop mis. Het was de tijd dat die documentaire werd opgenomen. Niet veel later speelde ik bij FC Lienden en had ik het profvoetbal eigenlijk uit mijn hoofd gezet. Ik wilde bekijken wat de opties waren om weer de schoolbanken in te gaan, maar precies op dat moment kreeg ik een aanbod van Adelaide Comets uit Australië. Ik dacht: Waarom zou ik het ook niet proberen?’