
Toen Telstar een speler schorste die de Elfstedentocht reed
Voetbal International viert dit jaar zijn zestigjarig jubileum. Naar aanleiding daarvan herplaatsen we elke dag in het weekeinde een verhaal uit ons rijke archief. Deze keer gaan we terug naar 1985, naar het verhaal over een voetballer die zonder toestemming van zijn club deelnam aan de Elfstedentocht.
Het gaat om John Weijers, de destijds 31-jarige aanvaller van Telstar. Het bloed van de schaatsfan kroop waar het niet kon gaan toen de Tocht der Tochten werd aangekondigd, voor het eerst sinds 1963. Weijers verscheen dus aan de start, reed de Elfstedentocht uit en werd volgens voor een wedstrijd geschorst door Telstar. VI pakte er veertig jaar geleden mee uit en liet verslaggever Wim Raucamp de semiprof enkele dagen volgen.
Maandag 18 februari
21.02 uur - Johan Weijers verneemt dat de Elfstedentocht toch in 1985 wordt gereden. 'Ik krijg de kriebels als ik het nieuws hoor. Wat moet ik doen? De Elfstedentocht trekt, natuurlijk, maar wat heb ik nou gereden? Twee tochten van nog geen veertig kilometer, dat is alles. Ik heb drie winters niet op het ijs gestaan. Moet ik nu dan…? Goed, Joke, m'n vrouw komt thuis van haar bridge-avondje. Ze speelt trouwens tamelijk hoog. Ze zegt: "En?" Ik zeg: "Ik ga niet." Maar even later zit ik toch aan de telefoon. 'n Collega, 'n kennis. "Wat doe jij, schrijf jij in?" Weer de kriebels. Ik haal uiteindelijk een fles witte wijn uit de koelkast, ik neem af en toe een slokje, zal ik wel, zal ik niet…?'
23.05 uur - Terwijl de hoeveelheid wijn slinkt waardoor de fles in gereedheid wordt gebracht voor de glasbak, ziet Weijers de eerste beelden van 'n inschrijvingskantoor, dat van Tilburg. 'Ik denk: jezus, wat moet ik nou? Ik wil ook meedoen. Ik bel met Koos Kuut, die is grieperig, anders zou-ie zeker meedoen, die maffe Westfries. Ik bel weer met 'n collega. Zal ik maar…?'
Dinsdag 19 februari
00.28 uur - John Weijers besluit om af te reizen naar het Centraal Station in Amsterdam, om dáár de nacht door te brengen. Hij sluipt het huis uit, zijn vrouw Joke wordt niet gewekt. Wat er mee gaat: een staartje whisky, een thermosfles gevuld met koffie en twaalf bruine boterhammen. 'Ik ben natuurlijk zo in Amsterdam. Een half uurtje. Kom ik daar, zijn er toch al veertig, vijftig mensen. Ze staan, en liggen. Even keuvelen, praten. En denken, want het is natuurlijk nogal koud. Tien uur stáán, in de kou, dat trekt me niet, dus zeg ik tegen die man naast me: "Kunt u even m'n plekkie vasthouden? Ik ben zo terug." Heb ik twee stretchers gehaald, één voor die man, ja. Ik heb me dik aangekleed, heb sneeuwschoenen aan. En voel me inmiddels knap opgewonden. Wat een sfeertje, die nacht in Amsterdam. Had ik voor geen goud willen missen.'
10.00 uur - De inschrijving start. John Weijers ontwaart Hans ter Voort, basisspeler van de Haarlemse hoofdklasser EDO. Die staat achterin de rij en lijkt weinig kans te maken op een startbewijs. 'Ik denk: Hans redt het niet. Even slim zijn: ik heb weinig zin om met al m'n spullen te gaan slepen. Ik roep Hans en vraag hem om op m'n spullen te passen. In ruil daarvoor schrijf ik Hans wel in.'
'Trainer André is overdonderd. Ziet kennelijk geesten met bevroren ledematen, twee maanden uitgeschakeld, weet ik 't'
12.34 uur - John Weijers is weer terug in z'n woning aan de Haarlemse Vooruitgangstraat. 'Eerst eten, en dan moet er van alles geregeld worden. Een skibril, vet, ik moet links en rechts dingen lenen, kopen. En ik moet op zoek naar een slaapplaats, voor Hans en mij. We gaan samen schaatsen. Ik weet niet hoe dat moet, ik heb wel met 'm gevoetbald, maar nog nooit met 'm geschaatst. Ik zie wel.'
12.46 uur - Via Ype Anema, de sterke slagerszoon uit Bolsward, belandt Weijers telefonisch bij een andere speler van SC Cambuur, Gerrie Schouwenaar. De twee Haarlemse schaatsers kunnen bij hem terecht. Dan volgt opnieuw een belangrijk telefoontje: met Fred André, de oefenmeester van Telstar. Diezelfde avond oefent Telstar in Alkmaar tegen AFC '34. Krijgt Weijers vrijaf? Nee. 'Ik laat me niet kennen, ik speel die wedstrijd. Ik heb niet geslapen, maar dat geeft niet. Ik zeg tegen André dat ik de Elfstedentocht rijd. Ik vráág het dus niet, nee. André is overdonderd. Ziet kennelijk geesten met bevroren ledematen, twee maanden uitgeschakeld, weet ik 't. Hij hoeft niet te proberen om mij op andere gedachten te brengen.'