Toen oer-Feyenoorder Blankemeijer heerlijke anekdotes deelde over zijn cluppie
VI 60 jaar

Toen oer-Feyenoorder Blankemeijer heerlijke anekdotes deelde over zijn cluppie

Praat mee!

Voetbal International viert dit jaar zijn zestigjarig jubileum. Naar aanleiding daarvan herplaatsen we elke dag in het weekeinde een verhaal uit ons rijke archief. Deze keer gaan we terug naar eind 1991, toen we oer-Feyenoorder Fred Blankemeijer interviewden.

Blankemeijer, die in 2010 zou overlijden, was vrijwel zijn hele leven verbonden aan Feyenoord. De clubicoon was in 1991 actief als interim-manager. Het was een periode waarin de Rotterdammers door een diep dal gingen, zowel sportief als financieel. Onder trainer Wim Jansen leek de stijgende lijn wel weer te zijn ingezet. In gesprek met VI's Bert Nederlof blikte Blankemeijer uitgebreid terug op zijn vele decennia in dienst van Feyenoord.

Hij overleefde diep ingrijpende paleisrevoluties, catastrofes en reorganisaties in De Kuip. Hij bekleedde een tiental verschillende functies bij Feyenoord, van lid van de juniorencommissie tot secretaris van het stichtingsbestuur, van hoofd scouting tot interim-manager, zijn huidige taak. Hij fungeerde officieel als praatpaal, maar vooral als pispaal, ook al doordat je letterlijk niet om hem heen kon. Dat slungelige lijf van exact twee meter lang met die markante kop was met grote regelmaat mikpunt van hoon en spot. Maar Fred Blankemeijer (65) kwam altijd weer bovendrijven. Blankemeijer, die al vanaf 1939 bij Feyenoord is betrokken, mag zichzelf dan ook zonder scrupules de laatste oer-Feyenoorder noemen. Blankemeijer over ruim een halve eeuw Feyenoord met aangrijpende verhalen over tragische dieptepunten, maar ook met kostelijke anekdotes over de club waarvan hij zielsveel houdt.

De wieg van Fred Blankemeijer stond als vanzelfsprekend in Rotterdam-Zuid, in de wijk Charlois. Ondanks de crisis in de jaren dertig beleefde hij een onbezorgde jeugd als enig kind van een gezagvoerder op de grote vaart. De eerste slagschaduw over zijn leven kreeg hij in december 1940 te verwerken: 'We kregen bericht dat mijn vader was getorpedeerd door de Moffen. Ik moest vanaf dat moment in de oorlogsjaren verder optrekken met mijn moeder. Ik was geen makkelijk ventje voor mijn moeder, maar ik ben heel goed opgevangen door een tante in Pernis die getrouwd was met een slager. Ik had dus altijd te eten. Al die strenge winters in de oorlogsjaren fietste ik van Pernis naar het Afrikaanderplein in Rotterdam-Zuid waar ik op de HBS zat. Maar ik miste mijn vader enorm. Ik had hem maar eens in de tien weken gezien. Dan lag zijn schip in Antwerpen en dan bleven mijn moeder en ik twee, drie weken op dat schip. Dat waren prachtige weken. Ik miste in de oorlog vooral vaders hand. Kinderen van zeelieden van de koopvaardij die in de oorlog waren omgekomen, mochten gratis doorstuderen, maar na de HBS ging ik liever voetballen. Als m'n vader nog had geleefd, dan had hij me ongetwijfeld gestimuleerd om verder te studeren.'

'Ik had in die tijd een verschrikkelijk slecht lichaam, ik was toen al een uitgerekte panharing, ik woog maar 72 kilo met dat lange lijf'

'Vooral door de dood van m'n vader kreeg ik de pest aan Moffen. Die laarzen… dat geluid dreunt nu nóg na in m'n hoofd als ik één of andere Duitser weer zo'n grote smoel hoor opzetten. Het is niet zo, als we tegen Frankfurt of Stuttgart moesten spelen, dat ik bij voorbaat een hekel aan die mensen had. Maar toch, dat matennaaien, die grote bek die Duitse voetballers vaak hebben, dat enge nationalisme met Boris Becker, dan moet ik altijd weer aan die laarzen denken. Tijdens de oorlog heb ik daarentegen enorm veel respect gekregen voor de Joden. In Pernis zat een Jood ondergedoken. Die man haalde het einde van de oorlog, daar was ik zó dankbaar voor. Toen wist ik niet goed wat er allemaal aan de hand was met de Joden, later besefte ik pas wat die mensen allemaal hebben moeten doorstaan.'

In 1939 had Fred Blankemeijer, toen 13 jaar oud, zich inmiddels aangemeld bij Feyenoord: 'In de oorlogsjaren werd er gewoon doorgebald, je merkte weinig van de oorlog. Behalve toen we in 1943 een toernooi zouden spelen bij Willem IL, maar op het laatste moment kregen we bericht dat het niet doorging omdat de terreinen van Willem II door de Engelsen werden beschoten. In 1944 was het afgelopen met 't voetballen, na de oorlog werd de draad pas weer opgepikt. Ik had in die tijd een verschrikkelijk slecht lichaam, ik was toen al een uitgerekte panharing, ik woog maar 72 kilo met dat lange lijf. Bovendien had ik als kind van een jaar of vijf een longemfyseem, er is zelfs een stukje rib verwijderd. De doktoren zeiden nog dat ik niet oud zou worden. Nou, de 65 heb ik in elk geval al gehaald.'

'Als voetballer had ik door die ziekte niet de longen van een normale speler. Ik was na elke wedstrijd totaal uitgevloerd. Toch heb ik als stopperspil nog het eerste elftal gehaald. Van 1949 tot '52 heb ik regelmatig in het eerste gestaan. Maar nadat m'n schouder voortdurend uit de kom schoot ben ik in het tweede gaan spelen. Ik zal nooit vergeten dat Jaap van der Leck, de trainer, me vroeg of ik nog één keer voor het eerste wilde spelen, tegen Sparta. Ik zag het niet zitten en ik zei tegen Van der Leck dat-ie een knul uit A1 moest nemen, een talent vond ik. Dat was een zekere Cor Veldhoen. Van der Leck heeft Veldhoen opgesteld en Cor is nooit meer uit het eerste weggeweest. Ik ben tot m'n 33ste in het tweede als aanvoerder blijven spelen.'