
Toen Dick Advocaat zijn kans kreeg: 'Een hobby? Daar heb ik geen tijd voor'
Voetbal International viert dit jaar zijn zestigjarig jubileum. Naar aanleiding daarvan herplaatsen we elke dag in het weekeinde een verhaal uit ons rijke archief. Deze keer gaan we terug naar de zomer van 1987, toen Dick Advocaat voor zijn Eredivisie-debuut als hoofdtrainer stond.
De 39-jarige Advocaat had er toen al enkele jaren als assistent van bondscoach Rinus Michels op zitten. De Hagenaar wilde graag zelf de verantwoordelijkheid dragen over een selectie. Die kreeg hij bij HFC Haarlem, dat destijds uitkwam in de Eredivisie. Johan Derksen sprak de oud-prof uitgebreid aan de vooravond van het seizoen. Het interview werd afgedrukt in monoloogvorm.
'Ik had tot mijn vijftigste bij de KNVB kunnen blijven, men was er zeer tevreden over mij, maar ik wilde op eigen benen staan. Ik ben bijna veertig jaar, ik wil zelfstandig werken, dan moet je ergens beginnen. Ik heb eens uitgerekend hoeveel clubs er volgend seizoen vrij komen, want ik had nog één jaar te gaan bij de KNVB, toen kwam ik tot de conclusie, dat er volgend seizoen nauwelijks clubs vrij komen, daarom heb ik mijn kans nu maar gegrepen. Natuurlijk is een baan bij de KNVB veiliger, maar ik ben ervan overtuigd dat ik slaag, anders moet je er niet eens aan beginnen. Haarlem benaderde mij, ik wilde weleens praten, ik had Haarlem een paar keer zien voetballen, het was wel een aardig elftal, daarom heb ik voor twee jaar getekend. Nee, ik blijf hier geen jaren hangen, het zal wel bij die twee jaar blijven, daarna wil ik naar een grote club of naar het buitenland. Wanneer ik die verhalen van Leo Beenhakker hoor, trekt het buitenland me erg aan, vooral de landen waar het voetbal nog echt leeft.'
'Ik ben op straat gevormd, we hadden het thuis niet zo breed, Vijf kinderen, vader overleed al vrij snel, je moest je maar zien te redden. Mijn oudste broer, Jaap, was profvoetballer, hij heeft bij ADO, Holland Sport, SC Enschede, Leeuwarden en Zwolse Boys gespeeld, hij was mijn voorbeeld. Toen hij bij ADO met Mick Clavan en Carol Schuurman speelde, stond ik op de jongenstribune. Bij mij in de straat werd de hele dag gevoetbald, ik groeide er op met Harry Vos en Aad Kila. Het waren de jaren vijftig, je kon voetballen, Verder was er niets, daarom was je dag en nacht op straat te vinden. Daar leerde je knokken, voor jezelf opkomen, wanneer je goed voetbalde, genoot je aanzien, dan werd je altijd gekozen, dan hoorde je erbij. Als jochie van negen jaar meldde ik me al aan bij ADO, maar ik was nog te jong, daarom ging ik naar Celeritas. Na een half jaar mocht ik bij ADO een technische test afleggen, dat gebeurde onder leiding van Rinus Loof en David Westhoven, alleen jongens met talent mochten lid worden. Zo ging dat in die tijd, we moesten voor het hek wachten, vervolgens werd je naam afgeroepen. Ik was zo trots als een pauw toen ik aangenomen werd, alleen die shirts al, dat rode shirt met die groene baan, dat was schitterend. De elftallen hadden dierennamen, Puma's, Buffels, Tijgers, Leeuwen, de beste spelers kwamen bij de Leeuwen, dat elftal speelde altijd voorwedstrijden voor het eerste elftal. Daar wilde ik dolgraag deel van uitmaken, het tweede jaar speelde ik inderdaad in de Leeuwen, wanneer wij om één uur met de voorwedstrijd begonnen, zaten er al 8.000 mensen in het Zuiderpark.'
'Ik heb er altijd keihard voor moeten werken, wanneer ik 's middags met de B-jeugd had getraind, ging ik 's avonds nog met het derde en vierde elftal trainen. Toen had ik al het idee dat ik te dik werd, daarom ging ik regelmatig naar de sauna, ik rookte niet, ik dronk niet, ik had er alles voor over. Ik haalde mijn MULO-diploma, maar ik wilde eigenlijk alleen voetballer worden. Ernst Happel liet me in Polen, tegen het Militair elftal, debuteren. Wat keek ik tegen die man op, je keek trouwens tegen iedereen op, wanneer ik een paar bestuursleden tegenkwam, ging ik een straatje om, die verhoudingen liggen nu gelukkig anders. Toch was het een mooie tijd, na schooltijd ging je meteen naar ADO, dan mocht je helpen met lijnen trekken of bij het schoonmaken van de kleedkamers, dat klinkt misschien gek, maar verder had je niets.'
'Ernst Happel kwam al als een vedette binnen, iedereen kende hem als de beroemde voetballer van Rapid Wien. Hij zei weinig, maar ik kon wel een potje bij hem breken, want ik ging ook tijdens de trainingen voorop in de strijd, daarom nam hij me bijna wekelijks mee als wissel. Nee, een grote mond hoefde je in die tijd niet te hebben, dan werd je afgemaakt door de eerste elftalspelers, ik durfde niet eens in de kleedkamer te komen. Je had voor de training twee kleedkamers, één voor de eerste elftalspelers en een kleedkamer voor de jongens uit het tweede elftal. Jan Villerius, Lambert Maassen en Kees Aarts waren de baas, tegen die jongens hoefde je echt geen babbels te hebben. Die oudere jongens mochten mij wel, want ik werkte me kapot, ik was gek van voetbal en wilde graag wat geld verdienen om iets te bereiken.'