
Toen de vlinder Bergkamp definitief landde
Voetbal International viert dit jaar zijn zestigjarig jubileum. Naar aanleiding daarvan herplaatsen we elke dag in het weekeinde een verhaal uit ons rijke archief. Deze keer gaan we terug naar medio 2006, toen Dennis Bergkamp afscheid nam.
Bergkamp, toen 37, zwaaide af met de openingswedstrijd in het nieuwe Emirates Stadium van Arsenal, tegen zijn andere liefde Ajax. In de aanloop naar die dag maakte Peter Wekking een fraai profiel van de man die voor talloze onvergetelijke momenten zorgde.
Het was mei 1969 en de ambtenaar bevestigde toen al het vooroordeel over zijn beroepsgroep: je hebt er weinig tot niets aan. Wim Bergkamp kwam zijn pasgeboren zoon aangeven bij de burgerlijke stand van Amsterdam en had ook al een naam in gedachten. Denis, naar zijn idool Denis Law, de Schotse nummer 10 van Manchester United. De eigengereide ambtenaar meende het echter beter te weten. 'Denis schrijf je met dubbel n'‚ sprak hij en likte aan zijn pen. En zo kwam de latere heldennaam officieel op schrift: Dennis Nicolaas Maria Bergkamp. De wondermidvoor werd geboren op 10 mei 1969, aan de James Rosskade in Amsterdam-West. Hij was na Wim, Ronald en Marcel de vierde zoon van Wim en Tonny Bergkamp. Als er toen al reallifesoaps bestonden, zou die van de familie Bergkamp een stilleven op tv hebben laten zien. Ze vormden een gelukkig, maar gesloten gezin. Kinderen uit de buurt kwamen er zelden over de vloer, de Bergkampjes waren erg op zichzelf. Samen bidden tot God, samen aan de studie, samen normen en waarden koesteren en in stand houden; daar draaide het om. Niet voor niets was Dennis in zijn jeugd fan van de gematigde pop van Level 42. Running in the family. Het klonk toen al als een ode aan zijn latere levensstijl.
Het kwajongensleven van Pietje Bell heeft-ie nooit geleid. Toen op het Sint Nicolaas Museum eens een stinkbom in de klas werd gegooid, was Bergkamp onschuldig, zoals eigenlijk zijn hele jeugd. Belletje trekken of kerstbomen in brand steken was er niet bij. Al ver voor het donker viel werden de jongens Bergkamp naar binnen gecommandeerd om hun huiswerk te maken. Zelfs snoepen deed hij niet. De roze koeken, het favoriete pauzegerecht op school, liet hij links liggen. De puber, die later als geen ander leerde zuinig om te springen met zijn lichaam, at getrouw zijn van huis meegebrachte boterhammen op.
Toch voelden de bakvisjes op school zich aangetrokken tot de vwo-leerling. Ze vonden hem wel stoer, zoals hij daar stond op zijn zwarte gympen, met de handen in de zakken van zijn jeans en zijn leren jack aan. Hij was ook goed gecoiffeerd, want Dennis Bergkamp ging elke vier weken naar de kapper. De kunst van het zoenen beheerste hij echter pas laat. Als tiener meed hij de schoolfeesten en ging zelden de stad in. Een afspraakje met een meisje op het Spui zegde Bergkamp eens af, omdat-ie niet wist waar dat lag. Desinteresse was het niet wat ten grondslag lag aan dat maagdelijke bestaan. Zo onthulde Bergkamp eens in de schoolkrant dat hij biologie het grappigste vak vond. 'De leraar doceerde op goed te volgen wijze over seks', zei hij toen. Het was gewoon de complexiteit van de ultieme wreeftrap die meer magie op hem uitoefende dan jeugdig gestuntel onder de rokken. Al op tweejarige leeftijd begon Bergkamp te jongleren met een bal onder de balkonnetjes aan de James Rosskade. Opa was geprivatiseerd tot ballenjongen. Dennis gooide de bal naar zichzelf in, gaf er een schop tegen en opa haalde hem braaf weer op. Zijn vijf jaar oudere broer Ronald werd in feite zijn eerste trainer. Die was de beste voetballer van de buurt en dus de patron van het straatvoetbal, en Dennis probeerde hem altijd te imiteren. Zoals hij later voor de tv kon wegdromen in de fabelachtige techniek van Glenn Hoddle. De vakanties gingen altijd naar East Anglia, zijn vader nam hem dan mee naar de stadions van Norwich City en Ipswich Town, maar de liefde voor Engels voetbal vond vooral zijn oorsprong in de fluwelen balbehandeling van de middenvelder van Tottenham Hotspur. 'Hoddle kon vanuit het niets iets briljants doen', mijmerde Bergkamp later. 'Sommige dingen die ik hem had zien doen, probeerde ik te betrekken in mijn eigen spel. Zoals wanneer hij hoog werd aangespeeld, dan ving hij de bal met één been in de lucht op. En vervolgens verzond hij binnen een tiende van een seconde een pass met de andere voet. Dat was fenomenaal.'
Net als zijn broers voetbalde Dennis Bergkamp in de jeugd bij Wilskracht SNL, waar zijn vader vrijwilligerswerk deed en elftalleider was. De in het dagelijkse leven zo hechte familie raakte verdeeld en ontwricht zodra het over voetbal ging. Vader Wim had een jaar als elektricien in Rotterdam gewerkt en werd fan van Feyenoord. Twee zoons onder wie Dennis volgden hem in die liefde, twee anderen bleven voor Ajax. Toen de Amsterdamse club zich meldde om de talentvolle Dennis op tienjarige leeftijd naar de opleiding te lokken, was ze kansloos. Pa vond Ajax arrogant en wist niet of de club wel paste in de levensopvatting van de familie. De jonge Bergkamp moest evenmin iets hebben van de geparfumeerde chic uit De Meer. 'Ajax, dat was voor mij: bontjassen, rijke mensen, patsers', bekende hij later. 'In mijn ogen was de club een beetje eng.' Hij had het zelf meegemaakt toen hij met Wilskracht een keer voetbalde tegen een jeugdelftal van Ajax. 'Na de eerste helft stond het slechts 1-1. Voor straf kregen die Ajax-spelers in de rust geen thee. Kwamen ze allemaal dorstig het veld weer op. Die mentaliteit stond me helemaal niet aan.' Voor de door en door fatsoenlijke familie Bergkamp droeg een drooglegging als deze min of meer het karakter van kindermishandeling. Amnesty International was dichterbij dan Ajax.
Specialist in stiffies
De droom van het leven - voetballer worden - was uiteindelijk toch sterker dan de afkeer van de kapsonesclub. Na een proeftraining bij Dirk de Groot, de talententrainer par excellence, liet Bergkamp zich als twaalfjarige alsnog verleiden door de wondere wereld van Ajax. Hij leek zijn ondergang tegemoet te gaan. In de jeugd van de club was Bergkamp onbeduidend als een komma in het heelal. Vele ploeggenoten werden geselecteerd voor nationale elftallen, hij nooit. Zijn trainers zagen dat-ie mooi kon voetballen, ja. Ingenieus kon dribbelen, de hindeachtige snelheid had van de jongen die op school alle hardloopwedstrijden won en over een onmiskenbare fonkeling in zijn rechterwreef beschikte. Met zijn frêle lichaam en zijn lieve karakter vonden ze hem niet geboetseerd voor het rauwe profvoetbal. Meer een knaap voor avondlijke kampvuren dan een man voor de loopgravenoorlog met plompe mandekkers. Hij was zestien en een loopbaan als fysiotherapeut wenkte meer dan een carrière als voetballer. Tot die koude maandagavond in december 1986, toen alles anders werd. Er meldde zich een man langs de zijlijn. Johan Cruijff. De maestro van Betondorp, destijds technisch directeur, zag het in één oogopslag: 'Die jongen had zóveel kwaliteit.'
Een week later werd Bergkamp in de rust van een wedstrijd van het tweede elftal gewisseld. Daags erop diende hij reserve te staan bij het eerste. Tegen Roda JC debuteerde hij, twintig minuten voor tijd, als invaller voor Rob Witschge. Voor het grote publiek had Bergkamps échte debuut in Ajax 1 enkele maanden later plaats. Voor de Europa Cup II-wedstrijd tegen Malmö FF in Zweden tilde Cruijff hem zó uit de examenbanken van het Nicolaas Lyceum in het eerste elftal. Als ongerepte rechtsbuiten moest hij maar zien af te rekenen met de stoere Zweedse back Torbjörn Persson. De wedstrijdbespreking van toen staat nog steeds in het hoofd van voormalig ploeggenoot Frank Rijkaard gebeiteld. 'Cruijff zei: "Jij speelt tegen een ouwe lul, hij kan niet draaien, hij kan niet lopen, hij kan niets". En wat gebeurde er? Dennis speelde die jongen helemaal kleurenblind.' Zozeer zelfs dat Persson al vóór de rust smekend naar de bank keek, maar coach Roy Hodgson had ook geen antwoord klaar op die vlinderachtige voetballer. De vedette-in-wording zelf meldde zich de volgende ochtend al om negen uur weer gewoon voor een wiskundeles.