
Hoe in een klein voetballand ineens de coëfficiëntenpolonaise wordt gelopen
Twee jaar geleden verscheen een VI waarin het Nederlandse voetbal werd begraven. De cover was zwart. In kleine lettertjes stond een pijnlijke conclusie. Nederland was, zo stond het er, een klein voetballand geworden. Bij het afscheid van de Grote Vier werd het einde van een tijdperk aangekondigd. Oranje was als elftal afgeschminkt.
In de VI van 12 oktober 2017 stond dat de nieuwe bondscoach reëler naar het beschikbare materiaal moest gaan kijken. Het kwam erop neer dat we moesten gaan voetballen zoals Gibraltar of San Marino. De boodschap was, zoals de cover, gitzwart. Europees gingen onze ploegen ten onder tegen clubs uit voetballanden van het niveau Luxemburg. Geen club in een grote competitie durfde een Nederlandse coach aan te stellen. Die hadden ergens onderweg een cruciale afslag gemist met hun balbezit. Arjen Robben was in 2017 de enige topvoetballer die we nog hadden. Strompelend vertegenwoordigde hij ons land. Wat overbleef waren de herinneringen en de foto’s. Het is geinig om die inktzwarte VI met de kennis van nu terug te lezen. Op pagina 73 bijvoorbeeld staat in een stuk over Jong Oranje het volgende zinnetje: Frenkie de Jong speelde sterk tegen Letland, maar wacht nog op zijn definitieve doorbraak.