De trots van het kamp: zo sloeg Joseph Oosting zijn vleugels uit

De trots van het kamp: 'Joseph is Joseph, en dat is mooi'

1Reacties
Journalist VI

Voetbal International viert dit jaar zijn zestigjarig jubileum. Naar aanleiding daarvan herplaatsen we elke dag in het weekeinde een verhaal uit ons rijke archief. Deze keer gaan we terug naar het VI-Kerstnummer van 2023, toen Joseph Oosting de lezer meenam naar het woonwagenkamp en een kijkje in de ziel gunde. De man die onlangs aantrad als nieuwe trainer van Antwerp FC over vooroordelen, vechten, verdriet en verbinding zoeken.

I. Joseph Oosting loopt de kantine van WKE binnen. Moi’, zegt hij tegen de man achter de bar. ‘Moi’, zegt de man achter de bar tegen Oosting. Meer woorden wisselen ze niet met elkaar. De andere gesprekken die de trainer van FC Twente deze middag voert rondom de plek waar zijn wieg stond, duren niet veel langer. De bewoners van woonwagenkamp De Ark zijn beslist trots op Oosting, de zoon van Jan en Grietje die uitvloog en nu knap werk levert in de Eredivisie. Maar ze doen er niet ingewikkeld over en vallen hem ook niet lastig met lange verhalen. Ze knikken, geven hooguit een klop op de schouder en komen tot de kern. ‘Moi, Joseph.’

Of je nou hebt vastgezeten of trainer van Twente bent: dat maakt hier niks uit. Voor ons is iedereen gelijk

— Joseph Oosting

Ze zijn hier niet gauw onder de indruk, had Oosting vooraf al gezegd. ‘We hebben niks met hiërarchie. Of je nou hebt vastgezeten of trainer van Twente bent: dat maakt hier niks uit. Voor ons is iedereen gelijk.’

Met een vinger gaat hij langs een klassieke elftalfoto van WKE aan de wand. ‘Dat is een oom, dat is een oom, dat is een oom, dat is een oom, dat is een oom.’ Het patroon stopt bij een robuuste verschijning met lang haar en een woeste baard. ‘Dat is buitenspeler Willem Zwikker, mijn jeugdidool.’ Het sportpark van WKE draagt de naam van oprichter Grote Geert, een opa van Oosting. ‘Mijn andere opa zat hier ook in het bestuur. Mijn vader speelde in het eerste elftal. Iedereen was voor Ajax, Feyenoord en PSV, maar ik was altijd voor WKE.’

Als kind had hij een vaste stek bij thuiswedstrijden. ‘Dan stond ik achter de goal te wachten. Als er een bal over of naast ging, vloog ik er meteen op af.’

Oosting wandelt het straatje tegenover het voetbalveld in en blijft stilstaan op de hoek. ‘Hier ben ik geboren.’ Waar nu een standaardwoning staat, stond destijds de klassieke woonwagen waarin hij ter wereld kwam. Hier ligt de basis. Van de mens, maar ook van de trainer Joseph Oosting. Zijn bewijsdrift is geworteld op de Van der Meulenweg 15.

Zijn ouders kwamen allebei van het kamp. Ze waren tieners toen hij werd geboren. ‘Ik was niet gepland.’ Hij kreeg twee broertjes, Hendrik en Berend. Vader Jan was alle dagen druk met zijn ijzerhandel. Op jonge leeftijd hielp Joseph al mee om de boel op orde te houden. ‘Ik moest het koper en het ijzer bij elkaar vegen. Mijn vader wilde het altijd opgeruimd hebben.’ Hij bezemde met frisse tegenzin en voelde nooit de aanvechting de beroepskeuze van zijn vader te volgen. ‘Ik wilde alleen maar voetballen.’

Als je won, had je ruzie. Als je verloor, had je ook ruzie. Het was letterlijk knokken. Ikzelf heb ook wel veel gevochten. Blauwe ogen en tanden door de lip hoorden erbij

— Joseph Oosting

Zijn ogen beginnen te glinsteren. ‘Och, ik heb zo veel wedstrijden in het Nederlands elftal gespeeld toen ik jong was. In gedachten, in mijn dromen.’ Eindeloos voetbalde hij op het steen en het zand tussen de woonwagens. Met zijn vriendjes wilde hij nog weleens stiekem naar het veld van WKE kruipen, door een gat onder het hek. ‘Zodra secretaris Rooie Jan ons in de smiezen had, moesten we lopen als de brandweer.’

Op de grasmat mocht niet worden gevoetbald voor de lol, al was daar op het kamp eigenlijk nooit sprake van. ‘Als we voetbalden, deed iedereen mee. Jong, oud, maakt niet uit. Dan was het poten en strijden maar. Als je won, had je ruzie. Als je verloor, had je ook ruzie. Het was letterlijk knokken. Ikzelf heb ook wel veel gevochten. Blauwe ogen en tanden door de lip hoorden erbij. Je móést je mannetje staan. Voetballen was alles voor ons. In ons kleine wereldje hadden we niks anders.’

Oosting ging naar een speciaal schooltje voor kinderen van het woonwagenkamp. ‘We hadden extra leraren, kregen aangepast onderwijs. Het was niet dat we dom waren, maar we waren anders dan andere kinderen. Dat vóélde je. Maar op het veld kreeg niemand ons klein. We werden kampioen met schoolvoetbal. Van Emmen, daarna van Drenthe. Omdat we niet genoeg jongens hadden voor een team, deed mijn tante Agnes bij ons mee. Zij kon ook goed voetballen.’

Op het voetbalveld nam hij al vroeg de leiding. ‘Mijn broertjes zeiden weleens: “Joseph maakt de regels zó, dat-ie altijd wint”. Was ook wel zo.’

Oosting kon het hardste schieten, dus verzon hij een bijzondere regel: wie de bal dwars door de gekromde stangen van het hek rondom het trapveldje wist te trappen, had sowieso gewonnen. Op die manier wist hij heel wat nederlagen af te wenden. Scherper dan wie ook had Oosting in de gaten of een bal net wel of net niet de doellijn was gepasseerd, de uitkomst toevalligerwijs steevast in het voordeel van zijn ploeg. Met zijn overredingskracht kwam hij er nog mee weg ook. Tijdens voetbalpotjes op De Ark was er in de rust traditioneel ruimte voor een wisselmoment: het team dat achterstond kon één speler ruilen. Oosting wist altijd precies wie hij moest pakken om een wedstrijd alsnog te winnen.

Ondersteunend beeld bij het artikel© Pro Shots

Hij werd gehard als straatvoetballer, en als jeugdspeler van WKE. ‘Daar gold en geldt maar één ding, en dat is winnen. Hoe maakt niet uit. Dat is mooi, maar er was ook een keerzijde: de emotie regeerde altijd. Wedstrijden liepen vaak uit de hand. No one likes us, we don’t care; dat gevoel kreeg je hier mee. Ik wilde juist het tegendeel bewijzen. Dat we ook maar normaal zijn. Dat ik ook gewoon ben opgevoed.’

Op zijn twaalfde verruilden zijn ouders de woonwagen voor een wijk even verderop in Emmen. Een wereld ging open voor Oosting. De Ark was altijd een rauwe, maar ook overzichtelijke en geborgen omgeving geweest. Daarbuiten moest hij zich aanpassen. ‘Ik ging naar de mavo en merkte wel dat ik met andere ogen werd bekeken, als jongen van het kamp. Maar ik heb mezelf nooit minderwaardig gevonden.’

Hij knokte voor wat hij waard was, ook op het veld. Op zijn zeventiende debuteerde hij in het betaalde voetbal, bij FC Emmen. Oosting was een middenvelder met kromme benen. Wat hij tekortkwam aan snelheid, compenseerde hij met inzicht en een goede trap. ‘Ik was wel een winnaar. En een teamplayer.’ Als semiprof werkte hij bij een poelier, later bij de fiscus. ‘Een Oosting bij de Belastingdienst, jawel’, lacht hij, knipogend naar het zwart geld dat vroeger nog weleens werd aangetroffen in een woonwagen. Zijn dromen van een loopbaan als topvoetballer smoorden al vroeg in knieproblemen. ‘Maar ik heb nog wel mooi zeventien jaar profvoetbal gespeeld.’

Als je bij WKE trainer kunt zijn en blijven, dan kun je het overal. Hier heb je te maken met zoveel emoties, zoveel meningen. Familiebanden ook nog

— Joseph Oosting

Zijn enige halte buiten Emmen werd De Langeleegte van Veendam. Oosting sloot af waar hij begon: bij WKE, waar van rustig uitballen geen sprake was. ‘De druk stond er vol op. Als je niet goed was, kreeg je het te horen. “Wísselen die gozer”, schreeuwden ze dan langs de kant. Hier heeft iedereen het hart op de tong. Daar moet je tegen kunnen. Heel wat spelers, zeker als ze van buitenaf kwamen, hadden er veel moeite mee. Maar als het goed ging, was het ook meteen geweldig. Dan bestond er geen betere voetballer, geen beter elftal. Het is hier zwart of wit. Alles of niks.’

Overwinningen werden uitbundig gevierd in de kantine, waar de reservedoelman van het eerste elftal graag met een microfoon op tafel sprong. Zo vormde zich volkszanger Jannes, een neef van Oosting. Hij wijst in de richting van een riant huis op het woonwagenkamp. ‘Daar woont Jannes. Knap wat hij allemaal heeft bereikt. We zijn samen opgegroeid, en ik heb hem iets gegeven voor het leven: een hele platte vinger. We waren eens samen aan een fiets aan het sleutelen. Ik draaide het wiel door, zijn vinger zat ertussen…’

Het bloederige incident deed de keepersloopbaan van zijn neef geen goed. Volgens Oosting geen groot verlies voor de voetbalwereld. Grijnzend: ‘Jannes kan beter zingen dan keepen.’ Hijzelf ontwikkelde zich ook al snel op een ander spoor. Als prof van FC Emmen werd hij gevraagd de Onder-12 te trainen. ‘Een speler raakte uit vorm. Je bent er met de kop niet bij, verweet ik hem. Die jongen vertelde me dat hij thuis werd geslagen door zijn ouders. Ik leerde een belangrijke les. Niet zomaar overal wat van vinden. Een speler eerst eens vragen: hoe gaat het met je? Trainen is maatwerk.’

Ondersteunend beeld bij het artikel© Pro Shots

Oosting maakte indruk en groeide intern door, naar de functies hoofd opleiding en assistent-trainer van het eerste elftal. Daarna maakte hij meters in het amateurvoetbal. In de kantine van WKE zijn de jubelfoto’s terug te vinden van het succes dat hij hier boekte in 2009. Oosting, ondersteund door broers Hendrik en Berend, leidde zijn club naar het landskampioenschap. Hij maakte naam als teambouwer en tacticus, een trainer die elke tegenstander nauwgezet analyseerde en telkens een uitgekiend strijdplan wist te bedenken. ‘Als je bij WKE trainer kunt zijn en blijven, dan kun je het overal. Hier heb je te maken met zoveel emoties, zoveel meningen. Familiebanden ook nog. Om dan structuur te krijgen, moet je heel duidelijk zijn. En je móét hier winnen.’

Hij wilde zich verder ontwikkelen op de cursus Coach Betaald Voetbal, maar werd keer op keer afgewezen. Of het nou ervaring, kennis of presentatie was: in Zeist viel er altijd wel iets op Oosting aan te merken. Het scheelde dat hij gewend was om onderschat te worden, om op achterstand te staan. Hij bleef doorzetten. En zichzelf bijspijkeren. De Drent volgde andere cursussen, bijvoorbeeld over prestatiepsychologie, ging in de keuken kijken bij clubs en liep mee bij ervaren collega’s als Peter Bosz. Oosting werd trainer bij Vitesse, waar hij aanvankelijk ook jeugdspelers van en naar scholen moest brengen.

‘Ik voelde me soms net een taxichauffeur. Overal in Arnhem wist ik de weg.’ Zijn vader hoorde het meewarig aan. ‘Hij zei: “Kom toch in het familiebedrijf werken”. Maar daar wilde ik niets van weten.’ Zeven jaar reed hij op en neer van Emmen naar Arnhem, waar hij assistent-trainer en interim-hoofdcoach werd. Zes uur ’s ochtends weg, ’s avonds thuis. Bij zijn vijfde poging werd hij eindelijk toegelaten tot de hoogste trainerscursus. Toen hij zijn papiertje haalde, had Oosting al een schat aan ervaring verzameld. ‘Ik had alle niveaus en leeftijden getraind. Geleerd om creatief, flexibel en sociaal te zijn.’ Hij kreeg een helder zicht op zijn eigen kwaliteiten: ‘Ik denk dat ik de gave heb mensen te laten samenwerken.’

Als selfmade trainer plukt hij de vruchten van zijn afkomst. Oosting weet raad met spelers met krasjes en stempels, zoals hij bij RKC bewees. En, zoals nu ook de reserves bij FC Twente zeggen: hij heeft oog voor álle selectiespelers. ‘Ik wilde zelf ook altijd voor vol worden aangezien.’

II. Thuis bij Joseph Oosting, een paar kilometer verderop in Emmen. Knusse woonkamer, brandende kachel, échte kerstboom, wanden behangen met familiefoto’s. Oosting heeft ook een adres in Oldenzaal, omdat hij in de buurt van zijn club wil wonen. Maar dit is zijn thuis.

De trainer toont het kantoortje naast de keuken, waarin hij zich onlangs terugtrok om videobeelden te bestuderen van Feyenoord. De ploeg van Arne Slot had in de Champions League net zoveel indruk gemaakt tegen Lazio. Oosting broedde op een plan en zag mogelijkheden voor Twente, dat een paar dagen later met een 2-1 zege De Grolsch Veste liet zinderen van vreugde.

Maar je bent ook een gevoelsmens. Dan hoor je een liedje en breekt je hart toch in tweeën

— Joseph Oosting

Hij laat schriftjes zien die hij als beginnend trainer al helemaal vol pende over aankomende tegenstanders. Een rapport van een pupillenploeg van De Graafschap, met voorin de kopsterke puber L. de Jong. De jeugdtrainer van Emmen zag het al: eentje om heel goed in de gaten te houden. Oosting is gastvrij, ontspannen en ontwapenend open soms. Hij laat een nummer horen dat hem ontroert, Vaders Zoon van Diggy Dex, en toont porseleinen bordjes die hij heeft beschilderd. ‘Daar word ik rustig van.’

Oosting wijst naar een ingelijste foto van Martijn Doldersum, de Man van Staal. Zijn aanvoerder en latere assistent bij WKE, in 2015 overleden aan ALS. Oosting begint te praten, maar de woorden blijven steken.

Bij een kop koffie vertelt hij over Etienne Vaessen, de RKC-doelman die op 30 september roerloos op het veld lag. Oosting had net zelf met FC Twente van SC Heerenveen gewonnen, toen technisch directeur Arnold Bruggink hem informeerde over de noodsituatie in Waalwijk. ‘Ik moest nog naar de pers, maar dat ging niet meer. Met Etienne heb ik een enorm goede band. Een bijzondere jongen, altijd keihard gewerkt, een loopbaan van vallen en opstaan. Twee weken geleden hebben we een tosti gegeten. Godzijdank is hij erbovenop gekomen.’

En toen viel Bas Dost neer, de spits die hij als broekie in de jeugd van FC Emmen al trainde. ‘Ik keek tv, zag hem vallen en wist direct dat het niet goed zat. Ik krijg er weer kippenvel van. Een jongen die je zo goed kent, van wie je weet wat hij er allemaal voor heeft gedaan, een vader van jonge kinderen. Ongelooflijk. Ik appte dezelfde avond nog met Bas en kreeg gelukkig een reactie. Binnenkort komt hij koffiedrinken.’

Vroeger kwam Dost al graag thuis bij de Oostings. ‘Hij vond de groentesoep van Martine zo lekker. Ja toch?’ Het klopt, lacht zijn jeugdliefde, die na een rondje tosti’s nu verse koffie en pindarotsjes op tafel zet.

Ze zijn niet getrouwd, maar wel al 35 jaar samen. ‘Haar vader Jaap was mijn trainer in de A1 van Emmen. Ik zag op een dag een mooi, blond meisje lopen en was verkocht.’ Martine is zijn anker. ‘We hoeven elkaar maar aan te kijken en we begrijpen elkaar. We kennen elkaar al sinds we zestien waren. Ik was een normale leerling, Martine een slimme meid. Niet voor niets onderwijzeres geworden. Ik heb heel veel van haar geleerd. En nog steeds. Als ik een presentatie voorbereid, kijkt ze mijn teksten nog even na.’

Ondersteunend beeld bij het artikel© Pro Shots

Met zijn broers nam Oosting de ijzerhandel van zijn vader over. ‘Ik doe verder niets in het bedrijf, maar zit wel in de rvc en krijg af en toe halfjaarcijfers. Die pass ik direct door naar Martine. Cijfers zeggen mij weinig.’

Zoon Thijs is aanvallende middenvelder bij Willem II. ‘Als hij taxichauffeur was geworden, had ik het ook goed gevonden’, zegt zijn vader. ‘Thijs is geen typische voetballer. In de kerstvakantie gaat hij dieren kijken in Kenia. Hij is rustig, lijkt heel veel op Martine. Hij is een goede speler, maar het belangrijkste is dat hij een goeie gozer is. En net zo trots zijn we op onze dochter. Tessa woont in Wormerveer en heeft een eigen bedrijf in productfotografie. Zij lijkt wat meer op mij. Een bezige bij. Ziet kansen, en gáát ervoor.’

De kinderen zijn het huis uit, maar het gezin blijft hecht. De momenten samen koesteren ze sinds twee jaar meer dan ooit. Op 25 februari 2022, op haar vijftigste verjaardag, wees een vriendin Martine op een bult in haar hals. Moest ze maar even mee naar de dokter. Een mokerslag volgde: schildklierkanker. Terwijl Oosting goed presteerde met RKC, was zijn hoofd vaak elders. ‘Het is fijn als het met voetbal goed gaat, maar ik heb toch liever dat het thuis goed gaat.’

Hij leefde ook mee met zoon Thijs, die in dezelfde periode een kruisband afscheurde. Waar voor dat herstel ongeveer negen maanden staat, was het perspectief voor Martine ongewis. Oosting plukt aan zijn baardje. ‘Ik bleef denken: Hoe moet dat thuis? Martine regelt alles hier. Hoe ziet de toekomst eruit? Alles is opeens onzeker.’

Mijn eerste Europese wedstrijd, een volle Grolsch Veste. Naar buiten lopen, horen hoe al die mensen You’ll Never Walk Alone zingen. Mijn gezin op de tribune. Een brok in mijn keel

— Joseph Oosting

Hij ging veel wandelen met zijn vrouw, steunde haar op alle mogelijke manieren, liep met haar de ziekenhuizen af. ‘“Komt wel goed Joseph”, zei ze dan. “Je hoeft niet mee”. Maar natuurlijk ga ik met haar mee.’ Het ging niet ten koste van RKC. Een enkele keer werd een trainingstijd iets aangepast. Als mensen vroegen hoe het ging, reageerde hij nuchter. ‘Maar je bent ook een gevoelsmens. Dan hoor je een liedje en breekt je hart toch in tweeën.’

Met zijn gezin beleefde hij emotionele, slopende maanden. Na een reeks onderzoeken bleek Martine aan een heel zeldzame variantvan haar ziekte te lijden. Haar schildklier werd verwijderd, ze onderging chemokuren. ‘En kijktoch eens, hoe ze eruit ziet’, glundert Oosting. ‘Ze heeft een twinkeling in haar ogen.’

Zijn vrouw glimlacht. ‘Ik hoor Joseph tegen andere mensen zeggen: “Ze is helemaal schoon!” Hij weet dat dat niet zo is. De ziekte is onvoorspelbaar, ik moet om de drie maanden naar het Erasmus in Rotterdam. Maar het gaat heel goed. Ik heb helemaal nergens last van.’

Een zucht aan de andere kant van de keukentafel. ‘Zij is zo sterk. Als mij hetzelfde was overkomen, had ik alles bij elkaar geklaagd.’

Martine: ‘Heb je ook geluk bij nodig. Als je zo ziek bent dat je in bed moet liggen, wordt het wel anders.’

Maakt voor Oosting niet uit. ‘Als ik verkouden ben, loop ik al te klagen.’ Hij kijkt haar vol bewondering aan. ‘Zij bleef gewoon wie ze is.’

Dit gevoel. Lekker warm, een veilige omgeving. Dat je niet op elk woordje hoeft te passen. Zo'n sfeer wil ik als trainer ook creëren

— Joseph Oosting

Zijn vrouw maakt het goed, iets mooiers kon 2023 niet brengen. Op gepaste afstand was er de aanbieding van FC Twente. Oosting betrok zijn gezin bij de beslissing. ‘Martine is meer van de feiten. Zelf doe ik bijna alles op gevoel. Ik had Arnold Bruggink en Jan Streuer aangekeken en wist: dat zit goed. Martine stond er gelukkig helemaal achter. Ik wist dat ik heel grote schoenen te vullen had, Ron Jans heeft het geweldig gedaan bij Twente. Ik wist ook dat een aantal belangrijke spelers ging vertrekken. Maar het voelde zo goed. FC Twente is een club die bij me past. Trots, ambitie. En vooral: noaberschap. Het samen doen.’

Op 27 juli speelde Twente tegen Hammarby, een avond die Oosting niet zal vergeten. ‘Mijn eerste Europese wedstrijd, een volle Grolsch Veste. Naar buiten lopen, horen hoe al die mensen You’ll Never Walk Alone zingen. Mijn gezin op de tribune. Een brok in mijn keel. Wow, dacht ik bij mezelf. Hier heb ik al die jaren voor geïnvesteerd.’

III. In het huis van Jan en Grietje Oosting. De schoenen gaan uit bij de voordeur, zoals vroeger in de woonwagen. De ouders van Joseph Oosting keerden twintig jaar geleden terug op De Ark, maar dan in een zelfgebouwd huis. Er hangen haast meer lampjes en kerstdecoraties dan in een willekeurig filiaal van de Intratuin dezer dagen. Eten staat op, tafels in de keuken en de woonkamer zijn keurig gedekt, een hele voetbalselectie zou kunnen aanschuiven.

Op de bank zit een vriendelijke reus. Hij kijkt voetbal. ‘Koffie?’, vraagt Jan Oosting. ‘Cola? Fles water? Een biertje?’

Echtgenote Grietje komt uit de keuken. ‘Moet je een oliebol?’

Wat haar zoon wil, hoeft ze niet te vragen. ‘Je toetje staat weer klaar.’

De trainer van FC Twente komt hier graag spontaan binnenvallen, en weet dan altijd één ding zeker: zijn lievelingstraktatie staat in de koelkast. ‘Crème brûlée, zonder suiker’, zegt zijn moeder. Voor een ander zal het weinig bijzonder zijn, voor Oosting is het meer dan een toetje. Het is thuiskomen. ‘Hier kan ik me altijd weer kind voelen.’

Ondersteunend beeld bij het artikel© Pro Shots

Zijn vader stroopt een broekspijp op en laat een groot litteken op zijn rechterscheenbeen zien. ‘Kampioenschap van Emmen, met Drenthina tegen Titan. Onze eigen keeper sprong mijn been dwars doormidden. De voet lag me helemaal op het scheenbeen. Later, bij CEC, schoot een kameraad mijn kuitbeen stuk. Tja, dat is voetbal. Ik heb nog altijd pijn als ik loop.’

Jan Oosting was in zijn tijd een geroemd voetballer in de regio. FC Groningen wilde hem aantrekken, maar zijn ijzerhandel ging voor. ‘Ik was spelverdeler op het middenveld. De 100 meter liep ik in twee minuut twee. De kwaliteiten van onze drie jongens had ik niet.’ De oudste was de beste. ‘Joseph kon allejezus goed voetballen. Maar op zijn twaalfde kreeg hij een vergroeiing in zijn knie.’

Zijn zoon laat zich tussen de kerstverlichting in een grote fauteuil zakken. ‘Mijn eerste knieoperatie had ik op dezelfde leeftijd als Thijs, dat is typisch. Maar hij is verstandiger. Bij mij werd de hele meniscus eruit gehaald, na een week of acht speelde ik weer. Heb ik nu nog last van.’

De sfeer op het kamp is niet meer zoals in zijn jeugdjaren, zegt zijn moeder. ‘Vroeger waren we vooral buiten, ging je bij mekaar koffiedrinken. Nu zijn de mensen meer op zichzelf.’ Haar man beaamt het. ‘Als vroeger iemand op het kamp ziek was, wisten wij het. Nu is er één overleden en lezen we pas op Facebook dat-ie begraven wordt. De saamhorigheid is er nog wel, maar het is anders dan vroeger.’

Hier ben ik geboren, daar ben ik trots op. En ik heb hier veel geleerd. Maar ik heb ook mezelf gevormd, met mijn gezin

— Joseph Oosting

De wedstrijden van FC Twente zorgen voor verbroedering. ‘Het is de favoriete club hier sinds Joseph er trainer is. Als Twente op tv is, zit de kantine vol.’

Hun oudste zoon is van de hele familie de enige die buiten De Ark woont. ‘Voor mij is die stap goed geweest’, zegt hij. ‘Hier waren vaak incidenten, altijd emoties. Alles wordt heel groot gemaakt. Ik hou het graag klein.’

Zijn ouders begrijpen dat hij zijn vleugels wilde uitslaan. Vader Jan: ‘We zijn zelf verhuisd toen Joseph naar de middelbare school ging. Dat was beter voor de jongens, dan konden ze leren. Hier waren ze alleen maar aan het spelen met hun vriendjes.’ Lachend: ‘Ging-ie weer, met de bal onder de arm. In Bargermeer was het rustiger.’

Zijn zoon moest wel flink aan de bak in die wijk. ‘Op mijn vrije vrijdagmiddag had ik bijles. Als vriendjes gingen spelen, zat ik mijn huiswerk te doen. Ik kreeg ook last van groeistuipen, bewoog heel stroef. Om te helpen leerde mijn moeder me dansen. Ik heb altijd veel extra moeten doen. Een natuurtalent ben ik nooit geweest.’

Maar zijn vader is niet verrast dat hij het nu zo goed doet als trainer. ‘Het zat altijd in Joseph. Met straatvoetbal was hij de leider.’ Oosting herkent eigenschappen van zijn ouders. ‘Mijn vader heeft een enorm verantwoordelijkheidsgevoel, dat moest ook wel met zijn bedrijf. Van hem heb ik geleerd dat structuur belangrijk is. En dat alles spic en span moet zijn. Mijn vader wil lief zijn voor de mensen, maar is ook duidelijk. Niet goed is niet goed. Mijn moeder is de verbinder van de familie. Zij zorgt voor harmonie.’

Ondersteunend beeld bij het artikel© Pro Shots

Hij spreidt zijn armen. ‘Dit gevoel. Lekker warm, een veilige omgeving. Dat je niet op elk woordje hoeft te passen. Zo’n sfeer wil ik als trainer ook creëren.’

Zijn vader hoort het goedkeurend aan. ‘We hebben vaak discussies gehad, maar hij heeft me nog nooit een grote bek gegeven. Altijd respect. Hij is een voorbeeldzoon. Die andere twee ook, hoor.’

Zijn moeder vraagt zich af wanneer hij zijn toetje gaat pakken. ‘Normaal had-ie het al opgegeten.’

Zometeen, zegt Oosting. Hij is benieuwd welk verhaal er uit al die uren praten gaat rollen. Hij hoopt dat het verder reikt dan het woonwagenkamp. ‘Hier ben ik geboren, daar ben ik trots op. En ik heb hier veel geleerd. Maar ik heb ook mezelf gevormd, met mijn gezin.’

Helemaal waar, vinden zijn ouders. ‘En toch altijd zichzelf gebleven’, prijst Grietje. Haar man knikt. ‘Als hij voor de camera komt, dan geniet ik. Hij is nog dezelfde Joseph als twintig, dertig jaar geleden. Rechtdoorzee, eerlijk. Hij verheft zijn stem nooit. Joseph is Joseph. En dat is mooi.’