
De herinneringen van Clarence Seedorf aan 1995: 'Ik waande me in het paradijs'
In de rubriek VI Tijdmachine herplaatsen we elke dag in het weekeinde een verhaal uit ons rijke archief. Ditmaal uit 2015, als Clarence Seedorf in Milaan twintig jaar na dato terugkijkt op zijn Europese triomftocht met Ajax. ‘Vlak voor de aftrap keken we elkaar aan en iedereen wist: Nu is het showtime.’
De avond loopt ten einde in Milaan, als Paul Pogba in restaurant Finger’s vertwijfeld zijn armen in de lucht steekt. ‘It was too much’, roept de middenvelder van Juventus tot drie keer aan toe. Het was te veel. Onderwerp van gesprek is de Nederlandse voetbalgeneratie van Clarence Seedorf. Bij toeval zijn ze elkaar tegengekomen deze avond, in het Japanse restaurant waarvan Seedorf eigenaar is. De begroeting was hartelijk en Pogba schoof aan. Een nieuwe en een vroegere vedette aan één tafel. Een peuter was Pogba nog, tijdens de zegetocht van Ajax over de Europese velden. Maar in zijn latere jeugd is de nu 22-jarige Fransman zich gaan verdiepen in die brutale ploeg uit Amsterdam. Moeiteloos lepelt Pogba een serie namen op: ‘Rijkaard, Kluivert, de broers De Boer, Davids, Overmars, Seedorf. En dan was Bergkamp helaas al weg. Waar haalt Ajax toch altijd die talenten vandaan? Echt, het was te veel. Meer dan ik kon bevatten.’
Als Pogba even later het restaurant verlaat, steekt hij zijn armen opnieuw in de lucht en roept nog één keer: ‘It was too much, my friends.’
Nadat ik in de finale was gewisseld, wilde ik naar Van Gaal toe, maar reservekeeper Fred Grim hield me tegen. Gelukkig
Eerst ligt Seedorf nog even gevouwen van het lachen over de tafel, daarna zegt hij: ‘Het is opvallend hoe vaak ik nog steeds word aangesproken op die succesperiode met Ajax. Ook door topspelers van vroeger. Thierry Henry kan lachend alle namen opdreunen van onze Ajax-ploeg. Hij was echt een fan. In Frankrijk is Ajax sowieso heel populair, Fransen houden van verzorgd en aanvallend voetbal. En toen ik bij Botafogo speelde, begonnen Braziliaanse journalisten vaak over het Ajax van ’95. Ook over Real Madrid en AC Milan natuurlijk, maar dat was minder lang geleden. De vragen over Ajax gingen over bijna twintig jaar terug. Dat zegt veel over hoe de wereld naar ons voetbal heeft gekeken.’
Hoe het begon
‘Het was een droom, op een andere manier kan ik het niet omschrijven. Met veel spelers ben ik opgegroeid, een groot deel van onze jeugdjaren speelde zich af bij Ajax. Dat maakte het extra bijzonder. Dan hadden we AC Milan of Bayern München in de Champions League verslagen en liep je de volgende dag in De Meer langs het bruggetje naar Voorland. Het bruggetje waar we als klein kind duizenden keren overheen waren gelopen, naar de jeugdvelden. In de winter moest je altijd goed uitkijken, dan was dat bruggetje spekglad. Na de training bleven we vaak in de kantine hangen. Een roze koek kopen, tafelvoetballen, flesje limonade drinken... En negen jaar nadat ik bij Ajax was gekomen, win je met een paar van die jeugdvrienden de Champions League. Het was bijna te mooi om waar te zijn.
Op het moment zelf beseften we niet hoe moeilijk het is het hoogste van het hoogste in clubvoetbal te bereiken. We deden met volle overgave waar we goed in waren en niemand bleek ons daarin te kunnen overtreffen. Er ontstond langzamerhand een sfeer in de groep dat het normaal was dat we van iedereen wonnen. Wij zijn Ajax en we pakken iedereen aan, zo voelden we dat. In die tijd paste dat ook nog echt bij Ajax, dat brutale, die bluf. De jongens uit de opleiding waren daarmee grootgebracht. Dan moet je het natuurlijk nog wel even waarmaken. Onze generatie heeft dat gedaan.
Alles klopte, alles klikte. Het was niet alleen een kwestie van voetbalkwaliteit. We hadden een groep met echte persoonlijkheden. Jongens met ballen, zeg maar. Die heb je nodig op het hoogste niveau. Anders red je het niet. En het moment was goed. Topgeneraties komen in golfbewegingen. Ajax had de belangrijkste Europa Cup al 22 jaar niet meer gewonnen. Je moet als club ook een beetje het geluk hebben dat alles wat je voor ogen hebt, samenkomt in één generatie. Bij ons diende zich het al een tijdje aan. Eerst de UEFA Cup in 1992, het jaar erna de KNVB-beker, daarna het landskampioenschap, In de jeugd was het heel normaal om prijzen te winnen. Vervolgens zijn we dat op een steeds hoger niveau gaan doen. Dat gaf ons zekerheid. Dan weet je dat er progressie in de groep zit, dat je steeds weer aanklampt op een hoger niveau. Dat gevoel is onbetaalbaar als je verder wilt groeien.
Het was ook een intelligente groep. We dachten veel na over voetbal en discussieerden daar onderling over. Daardoor lukte het steeds beter de individuele kwaliteiten aan de speelwijze te koppelen. Op tactisch gebied waren we op een gegeven moment van wereldkwaliteit. We hebben heus ook mindere periodes gehad, maar dan wonnen we op basis van de individuele kwaliteiten. En als het liep zoals we het ingeslepen hadden, dan waren we een ramp om tegen te spelen. Dan waren we niet te stoppen.’
© VIDe basiself van Ajax in de Europa Cup I-finale van 1995. Achteraan vanaf links: Edwin van der Sar, Clarence Seedorf, Frank Rijkaard, Finidi George, Ronald de Boer en Danny Blind. Vooraan: Jari Litmanen, Michael Reiziger, Edgar Davids, Marc Overmars en Frank de Boer.