Rini Coolen: ‘Ik ben een perfectionist’

PRAAT MEE!

Rini Coolen (37) is geen trainer die op basis van naam met flair en uitstraling leidinggeeft. Liever sluit hij elk toeval uit, bereidt hij zich goed voor en werkt hij keihard om een doel te bereiken. Die ijzeren discipline eist de nieuwe oefenmeester van FC Twente ook van degenen met wie hij dagelijks werkt. ‘Ik sla misschien weleens door.’

© Pro Shots

fallback image Rini Coolen: ‘Ik ben een perfectionist’

Nul punten uit twee duels; u had zich uw start als hoofdtrainer vast anders voorgesteld.

‘We wisten dat de eerste vijf wedstrijden zwaar zouden zijn. Dat we tegen Ajax begonnen was niet erg, in zo’n duel is veel te winnen. En dat hebben we ondanks de 2-3 nederlaag ook gedaan. Dat was afgelopen zaterdag bij RKC anders. We proberen voetballend steeds een stap te maken, maar de komende weken gaat het resultaat steeds meer meetellen. We spelen eerst thuis tegen Heerenveen, een goede ploeg waarvan we toch punten moeten pakken. Die druk mogen we onszelf opleggen. Daarna krijgen we Feyenoord-uit en Willem II-thuis. Een lastige reeks, maar daar zeuren we niet over. We zijn ook niet in paniek.’

U wist twee jaar geleden al dat u hoofdtrainer zou worden van FC Twente. Bevalt het?

‘Sterker nog, het overtreft mijn verwachtingen, ik heb nog geen echte moeilijkheden ondervonden. Het gaat me mede dankzij een goede voorbereiding gemakkelijker af dan ik had gedacht. Het begint net en ik ben me nog niet anders gaan gedragen, ik heb ook een hele tijd naar deze functie kunnen toewerken. Toen René Vandereycken werd aangetrokken, had de club al aangegeven dat ik de potentie had om hem op te gaan volgen. Ze deden me geen toezegging, maar de intentie van beide kanten was er wel. Ik kon zo nog twee jaar doorgroeien en kijken of de doelstelling zoals ik die formuleerde en FC Twente ook had, op termijn gerealiseerd zou kunnen worden. René wist ervan en elk halfjaar evalueerden we hoe het ging.’

Omdat u de functie van assistent-trainer anders moest invullen?

‘Ja, ik moest in het nu werken en al over een bepaalde termijn heen kijken. Een assistent-trainer heeft een bepaalde rol. Ik heb bijvoorbeeld gezocht naar een assistent die complementair is aan mijzelf. Jan van Staa heeft naast zijn trainingen, ervaring, analyses en besprekingen een bepaalde persoonlijkheid. Hij staat midden in een groep, kan spelers prikkelen en heeft binding met ze. Dat ontbreekt in mijn manier van trainen, ik ben wat afstandelijker en die afstand heb ik de afgelopen twee jaar ook bewust genomen. Om twee redenen: ik wist dat ik verantwoordelijk zou worden voor dezelfde groep als waarbij ik assistent was en het zit niet in mijn karakter steeds bij de spelers in de kleedkamer te zijn.’

Heeft de selectie dan wel gekregen waar zij recht op had?

‘Vind ik wel. Op basis van eerlijkheid en respect had ik met de spelers een goede en normale verstandhouding. Maar ik heb zeker momenten gehad dat ik dacht: Nu zou ik als assistent eigenlijk anders naar voren moeten komen. Ik heb gemerkt dat het een voordeel is als je wat meer tussen de spelers staat en wat vaker met ze praat. Dat ze niet verbaasd zijn als je ineens de kleedkamer binnenkomt, maar dat het een automatisme wordt. Nu doe ik dat veel vaker. Van de honderd procent heb ik tachtig procent geraakt als assistent. Het overige deel, het dicht bij de spelers staan, heb ik niet gebracht; ik was geen uitlaatklep voor de selectie. Vandereycken en ik waren dezelfde personen, vrij introvert. We hadden een gezamenlijke mening over alles wat we deden, ook al was het soms een visie waar ik als voetballer niet achter stond. Het is dan de kracht van een assistent die mening wat los te laten en de spelers wat anders te benaderen. Ik deed dat niet, reageerde als hoofdtrainer en de speler was op dat moment ondergeschikt. Ik heb niet ondervonden dat daardoor er de afgelopen twee jaar iets mis is gegaan. Met iedereen had ik een goede relatie en ik voelde wel aan wanneer ik even een-op-een met een speler moest gaan praten.’

Maar u was al bezig met de volgende seizoenen?

‘Ik was met de korte én lange termijn bezig. Ik kreeg de ruimte van de club en de medewerking van René dat ik verder kon kijken dan die twee jaar. Hoe hij de hele toko runde, was goed voor mij om me te kunnen ontplooien en op hetzelfde moment kon ik breder naar de hele club kijken. Ik heb die tijd gebruikt om de opleiding tegen het licht te houden, spelers en technische staf te beoordelen en evalueren. Zodat ik exact wist welke mensen voor ons in de toekomst belangrijk zouden zijn en op welke manier we een breed draagvlak kunnen krijgen bij FC Twente. Dat de technische organisatie dus zó in elkaar stak dat ik er leiding aan wilde geven.’

U heeft een andere opvatting over voetbal dan Vandereycken. Kwam u niet in de problemen?

‘Nee, het werkte juist versterkend. Ik ben opgevoed volgens de Hollandse School en René had Belgische en Italiaanse invloeden in zijn spelopvatting. Ik wil graag veel vastigheden en patronen terugzien in ons spel, terwijl René denkt in ruimtes en het creëren daarvan. Onze kracht was dat we als mens enorm naar elkaar zijn toegegroeid en dat we elkaar zeer waardeerden. Juist omdat we anders over voetbal dachten, kwamen we beiden tot nieuwe inzichten en hebben we twee geweldige jaren gehad. Ik heb zijn visie gekoppeld aan de mijne en aan de clubcultuur, dat werkt nu heel goed. Het is voor mij en voor de club, zowel voor de korte als lange termijn, heel goed geweest dat ik heb kunnen samenwerken met de trainer Vandereycken. Hij was de juiste man op de juiste plek voor die twee jaar. René heeft FC Twente gebracht waar we nu zijn en nu kunnen we met onze langetermijnvisie aan de slag.’

En die is?

‘We hebben een beleid voor drie jaar vastgesteld. In het derde jaar moeten we staan waar FC Twente hóórt te staan: in de subtop en meedoen om Europees voetbal. Daarom hebben we gekozen om nu heel veel nieuwe jonge spelers aan te trekken. Voetballers die er over drie seizoenen nóg zijn en steeds beter zijn geworden, want een van mijn kwaliteiten is spelers steeds beter maken. Als dat lukt hebben we elk jaar maar enkele versterkingen nodig om daar te komen. De afgelopen twee jaar hebben we van heel veel spelers afscheid genomen, jongens die ons beter hebben gemaakt. Voor hen en voor de club was het heel goed dat ze bij FC Twente speelden, maar het waren ook jongens van wie we wisten dat we ze zouden laten gaan vóór dit seizoen. Dat is een bewuste keuze geweest. Om door te groeien gaan we nu bouwen aan iets wat over drie jaar klaar moet zijn.’

Tijd lijkt er niet meer te zijn in het voetbal.

‘Ik vind het ook terecht dat een trainer wordt be- en veroordeeld op wat hij brengt. In mijn geval zal dat niet direct de stand op de ranglijst zijn, maar ik wil wél dat ze me heel kritisch benaderen. Ze moeten vooral ook kijken of ik voldoe aan de criteria die passen bij de doelstelling en of ik ook stappen maak. En als de jaren vorderen zal de stand op de ranglijst ook voor mij bepalend worden. Ik weet ook dat een hoofdtrainer de korte termijn heel goed in de gaten moet houden.’

In 1998 zei u dat u binnen vier jaar hoofdtrainer wilde zijn en dat u anders uw conclusies zou trekken. Waarom bent u toch doorgegaan als assistent?

‘Dat heb ik in impulsiviteit gezegd, omdat ik toen nog kortzichtig was over het hoofdtrainerschap. Er komt zoveel meer bij kijken, ik heb het echt onderschat en als je zo’n stap maakt moet je enorm goed voorbereid zijn. Ik dacht meer als trainer/coach van een elftal dan als manager, wat je in het hedendaagse voetbal toch moet zijn. Gelukkig ben ik erachter gekomen en heb ik er meer jaren voor genomen. Nu kan ik echt zeggen dat dit het juiste moment is voor mij en dat ik er klaar voor ben. Ik heb opengestaan voor ontwikkeling en alle medewerking gehad. Vandereycken is daar heel belangrijk in geweest, er is een enorme vriendschap ontstaan tussen ons en we hebben nog veel contact.’

Toch is de sfeer bij FC Twente nu veel opener dan voorgaande seizoenen.

‘Dat komt doordat René er niet zoveel waarde aan hechtte. Ik heb wel de kans gekregen hem te leren kennen als mens, die kans geeft hij niet iedereen.’

Dat klinkt behoorlijk hautain.

‘Maar dat is het niet, hij zit als mens gewoon niet zo in elkaar. Ik wil mijn visie veel breder communiceren dan dat híj deed. René is gesloten en selectiever, ook omdat hij als voetballer wat problemen heeft gehad met media. Omdat hij dat stempel al had, heb ik vooral in het eerste jaar gemerkt dat hij heel negatief werd benaderd. Er werd geschreven dat hij heel defensief voetbalde, maar dat waren zijn intenties helemaal niet. Hij denkt op een heel hoog niveau en verwacht soms te veel van mensen dat ze daarin meegaan. Ik heb de tijd gekregen om te ontdekken dat hij zo in elkaar zat. Hij had misschien wat meer ruimte aan de media moeten geven, maar anderzijds hebben diezelfde media hem niet reëel neergezet. Ik heb weleens gedacht dat hij zich wat meer zou mogen verdedigen als men hem ergens op aanviel. René vindt het dan niet nodig dingen toe te lichten. Als mensen een mening hebben, vindt hij dat hún probleem.’

Naar buiten communiceren is toch onderdeel van het trainersvak?

‘René verleende ook wel medewerking, maar alleen op zíjn manier en als hij er invloed op kon uitoefenen. Ik ondervind het nu allemaal en maak er veel tijd en ruimte voor vrij. Ik zit wél zo in elkaar, ben bereid wat opener te communiceren. Zonder daarbij mezelf te verloochenen, anders zou ik niet met mezelf kunnen leven.’

U werd twee keer niet toegelaten op de cursus Coach Betaald Voetbal. Waarom niet?

‘Ik heb er drie jaar over gedaan. De eerste keer had ik te weinig ervaring als assistent, de tweede keer had ik de maximale score en kwam ik op een wachtlijst. Ik heb toen sportmanagement gedaan in Enschede. Een stukje voorbereiding, omdat ik wist dat de cursus tot hoofdtrainer een zware opleiding zou zijn. Ik wilde per se het hoogste diploma halen en daarom er ook alles voor doen. Als het niet zou lukken, hoefde ik mezelf in elk geval niets te verwijten en had ik er vrede mee. De voetballerij is geen gemakkelijke wereld, maar ik wil het risico nemen omdat ik wil zien of ik met mijn visie en werkwijze kan slagen.’

U speelde van 1984 tot 1996 voor Go Ahead Eagles, Heracles Almelo, De Graafschap en AZ, maar werd al op uw 29ste afgekeurd voor betaald voetbal. Wilt u nu iets bewijzen?

‘Ik kon bij AZ toen al zien dat die club naar het niveau zou groeien waar zij nu is. Daar wilde ik onderdeel van zijn. Toen dat niet lukte vanwege een knieblessure, werd die afkeuring wel een drive om te laten zien wat ik in mijn mars heb. Het geeft mij een heel prettig gevoel dat ik nu kan terugkomen op het niveau waarop ik heb moeten stoppen.’

Een van uw klasgenoten was Marco van Basten. U bent eerst jaren assistent geweest, híj wordt bijna meteen bondscoach. Snapt u dat?

‘Dat snap ik heel goed. Ik heb acht jaar nodig gehad om zover te kunnen zijn. Ik heb Van Basten zó zien groeien tijdens die cursus, dat je ons niet kunt vergelijken. Hij heeft alles in één keer gedaan, terwijl alle anderen een verleden hadden met Trainer/coach 1, 2 en 3. Van Basten snoof alles op en ontwikkelde zich heel snel, stelde zich kwetsbaar op omdat hij nog te veel als speler keek. In een jaar tijd zag je hem presentaties en trainingen geven, praatte en analyseerde hij heel goed. Hij heeft een jaar bij Jong Ajax gewerkt en ik denk dat hij deze stap alleen heeft genomen omdat hij er zeker van is dat hij er klaar voor is. En ik ben daar ook zeker van, hij krijgt nu de kans de dingen die hij wat minder beheerst te ontwikkelen. Want dat hij leiding kan geven, charisma heeft, trainingen kan verzorgen en het niveau heeft om met de allerbeste voetballers te werken, lijkt me wel duidelijk. Hij zal daarin nu nog heel snel groeien. Een voordeel is dat er een heel breed draagvlak is voor zijn benoeming. Ze denken niet alleen aan het komende toernooi, maar ook het daaropvolgende. Dat vind ik heel gezond, hij kan bovendien altijd Johan Cruijff erbij betrekken. Maar Van Basten en Van ’t Schip zijn capabel genoeg om zelf beslissingen te nemen.’

U noemt Van ’t Schip. Hij is nu bondscoach, maar heeft het niet gered bij FC Twente.

‘Van John heb ik heel veel geleerd. Ik heb hem leren kennen als een vriendelijk persoon die perfecte trainingen kon geven en goed leidinggaf aan zijn organisatie. Hij heeft alles om een goede trainer te worden, ik vond het jammer dat hij ervoor koos geen hoofdtrainer meer te zijn. Het is hier niet makkelijk werken en het is hem ook niet makkelijk gemáákt. John heeft een aantal processen onderschat en had wellicht wat langer assistent kunnen blijven. Ik heb daar duidelijk mijn voordeel meegedaan, als ik te snel had gewild had mij hetzelfde kunnen overkomen.’

Wat voor trainer is Rini Coolen?

‘Ik wilde als speler al alles weten van een trainer. Waarom doen ze bepaalde oefeningen, wat is het doel? Ik onderging het niet, maar was er echt mee bezig, ik vroeg ook alles. Voor sommige trainers was ik weleens lastig, denk ik. Ik ben een perfectionist, een beetje zoals basketbaltrainer Ton Boot. Ik vind dat een speler honderd procent geconcentreerd met zijn vak bezig moet zijn, iedere dag beter willen worden. Ik sla misschien weleens door, ik eis van mezelf en mijn spelers heel erg veel terwijl ik weet dat de boog niet altijd gespannen kan staan. Er zijn trainingsvormen waarin enthousiasme en drukte aanwezig moeten zijn en waarbij spelers ook plezier moeten hebben. Dat onderdeel laat ik dan door Van Staa doen, die beheerst dat veel beter. Ik heb heel goed naar mezelf gekeken en vastgesteld welke kwaliteiten ik mis, van de club kreeg ik vervolgens de vrijheid de staf in te vullen zoals ik dat wilde. De winst van de laatste twee jaren is geweest dat ik heb geleerd dat ik sommige dingen moet loslaten. Ik heb nu het gevoel dat de mensen om me heen hun taken invullen zoals ik dat wil. Ze hebben daar hun vrijheid in, ze moeten wel hun eigen identiteit kunnen houden en niet het gevoel hebben dat er achter hun rug om wordt gecontroleerd. Ik heb mezelf erop betrapt dat ik dat wél deed, daar heb ik nu gelukkig een ontwikkeling in gemaakt. We zijn nog maar kort bezig, maar ik denk dat we als team heel goed samenwerken. Het is belangrijk en ook een kracht dat ik duidelijk ben, ook al doet dat soms pijn bij mensen. Ik ben duidelijk, eerlijk en onderbouw het, zo wil en moet ik werken. Daarin doe ik geen concessies, want ík word beoordeeld op het eindresultaat.’

U klinkt als een controlfreak.

‘Ja, ik ben een type dat het liefst alles zelf doet, omdat ik weet dat het dan goed gebeurt. Maar dat is absoluut onmogelijk, heb ik de afgelopen periode geleerd. En ik vind het mooi dat ik mezelf op deze manier leer kennen, ontdek wat mijn tekortkomingen zijn en er meteen iets aan doe. Daar word je flexibel van. Vrijheid is namelijk in het voetbal ook heel belangrijk, omdat er heel veel keuzes gemaakt moeten worden. Ik kan het nog het best vergelijken met een pass- en trapvorm, wat ik een heel belangrijk onderdeel van het voetbal vind. Het gaat om afstand overbruggen met verschillende snelheden, afhankelijk van welke kant je inspeelt. Dat zijn dingen die ik als trainer verplicht kan stellen, maar er komt altijd een moment dat de speler een keuze moet maken. Er zijn veel mogelijkheden en de speler neemt de beslissing. Aan de ene kant wil ik dus heel veel aangeven, verplichten, en daarna laat ik spelers los zodat ze met elkaar kunnen communiceren en een keuze maken. Maar ik wil dan wel weten waaróm ze iets doen.’

Er werkt op dit moment een grote groep jonge trainers in het profvoetbal. Wat vindt u daarvan?

‘Ik vind het een erg goede ontwikkeling, deze trainers zijn fris en hebben een originele kijk op dingen. Robert Maaskant is het goede voorbeeld, hij bewijst dat het trainersvak niet meer alleen bestaat uit op het veld staan. Hij heeft een goede uitstraling en presentatie, maar dat komt pas als je bewezen hebt dat je een goede trainer bent. Ik ben op de goede weg, maar als ik ergens binnenkom is het nog niet: Kijk, daar komt trainer Coolen aan.’

Hoe wilt u gaan spelen met FC Twente?

‘Ons uitgangspunt is 4-3-3, waarbij we heel gemakkelijk kunnen variëren en omschakelen naar een ander systeem. We willen het initiatief hebben en langer balbezit dan vorig seizoen, toen we enorm sterk waren in de omschakeling. Waar ik weleens moeite mee had, was dat het volgens René door de enorme ruimte die we creëerden voor spelers makkelijker werd keuzes te maken. Terwijl ik denk dat dit alleen is weggelegd met een heel hoog niveau. Ik zorg nu voor meer vastigheden, maar we moeten altijd voor verrassingen in ons spel zorgen. Zonder de teamafspraken te vergeten, moet het niet steriel worden, spelers moeten creatief nadenken. Ons doel is dit seizoen dat we eindigen tussen de plaatsen zeven en twaalf. Maar dan moeten er eigenlijk nog wel drie spelers bij komen die ons direct beter maken. Een centrale verdediger, een linksback en een rechteraanvaller hebben we echt nog nodig om initiatiefrijk te voetballen. Dat zou het ideaalplaatje zijn.’