'Mario overdrijft zijn Rotterdamse rol een beetje'
Mario wil de Rotterdammers te graag geven wat ze in hem zien: een eenvoudige jezus op gymschoenen
© Pro Shots

Veel mensen zien in Mario Been de verlosser. Eindelijk weer eens wat volks gevoel in De Kuip. Peter Bosz dient daarbij als afschrikwekkend voorbeeld. Een aardige voetballer, leuke pass. Daar had hij het bij moeten laten. Bosz werd een sprekend kostuum. Ik geloofde hem niet. Thuis zag je hem zo zitten, in zijn joggingpak, met een schaal gehaktballetjes van de buurtsuper in zijn schoot.
Als Bosz naar zijn werk ging, naar het stadion, oefende hij voor de spiegel. Kin omhoog, stropdas strak, hangend verveeld mondje. Bosz heeft zich jaren lang verkleed als een beleidsmaker. In de voetballerij sterft het van dit soort mensen.
Het is permanent gewoeker met een woordenschat van zestien lettergrepen, door figuren die vijftien jaar geleden hun naam nog vier keer verkeerd spelden als ze het wedstrijdformulier moesten invullen. Zet je een camera op dat soort jongens, dan gaat het fout.
Ooit zag ik het eerste interview met John van Loen. Hij had gescoord voor FC Utrecht. We hebben het nu over de tijd dat
FC Utrecht nog niet werd geassocieerd met Hans van Breukelen, die voor drieduizend euro per spreekbeurt met een brilletje op zijn gok komt uitleggen hoe je in je bedrijf de neuzen allemaal dezelfde kant op krijgt.
Nee, FC Utrecht was nog volks. Van Loen gaf antwoord op een simpele vraag en ging opeens moeilijke woorden gebruiken. Dat lukte niet. Hij kwam geloof ik niet uit het woord instinctief. Op de achtergrond stonden zijn ploeggenoten in hun broek te pissen van het lachen. Die John. Wat zei hij nu opeens allemaal?
Daar, in die ene minuut, zag je het hele wezen van de latere Van Loen. Een straatvechter, een bikkelaar, een scorende spits, met een ongezonde drang naar intellectuele erkenning. We weten hoe dat is afgelopen. Van Loen heeft een jaartje of tien met een blocnote naast verschillende trainers aantekeningen staan maken.
Als zij iets riepen, dan knikte Van Loen en noteerde hij het in een schriftje. Handig voor later, als hij misschien nog eens hoofdtrainer werd. Niet eens zo heel lang geleden kwam Van Loen eindelijk weer eens positief in het nieuws. Als de echte John. Tijdens een jeugdwedstrijd raakte hij, lang het veld, betrokken bij een vechtpartij.
Dat deed me goed. Het gif, de gal, het verdriet, de ellende. Het moest er uit. Desnoods met de vuisten. Niet met een woordenboek Modern Nederlands onder je arm onbeholpen formuleren wat je dwars zit. Er zijn genoeg voorbeelden van voetballers die boven hun macht zijn gaan praten.
Johan Cruijff, Ruud Gullit, Jan van Halst, Ruud Krol en Aron Winter. Vooral de laatste is een feest om naar te kijken. Stel Aaron een vraag en je ziet het volgende: een doodsbang hert in de bosrand. Je voelt zijn paniek. Hij snapt voetbal wel, maar weet niet hoe hij het moet uitleggen. En dan toch in een studio gaan zitten. Het gaat om de intellectuele triomf.
Wat heeft dit met Mario Been te maken? Alles. Been kiest te bewust voor de andere kant. Hij wil te geforceerd laten zien dat hij ook maar een jongen van de gestampte pot is. Het is allemaal net even te bedacht gewoon. Been forceert de laatste weken. Mario wil de Rotterdammers te graag geven wat ze in hem zien: een eenvoudige jezus op gymschoenen. Helaas overdrijft hij dat een beetje.
Nu al word ik helemaal schijtziek van het Ernst Happel Schilderij Verhaal. Voor de drie mensen die het verhaal nog niet kennen: Been gaat kort voor iedere wedstrijd naar een café, waar een schilderij van Ernst Happel hangt. Mario Been hangt dit recht. Daarna wint zijn team.
Het gaat mij niet om het verhaal. Het gaat mij er om dat Mario het vertelt. Hij is er trots op. Hij vindt het een geinig verhaal. Een verhaal dat hem, als hij het vertelt, in één klap neerzet als een heerlijk eenvoudige boerenlul, die zich onder het volk mengt om een schilderij recht te hangen. Niet geheel toevallig een schilderij van Happel, voor eeuwig de volksheld in Rotterdam omdat hij deed wat zij zelf zo goed kunnen: niks zeggen en doorwerken.
Been vertelt het verhaal net iets te vaak en te gretig. Hij doet lollig in interviews. Vaak zijn dit grapjes die ongeveer zo gaan: 'ls ik de vierdaagse loop, kom ik over negen dagen aan.' Op papier vallen deze grapjes nogal tegen. Je moet er waarschijnlijk bij zijn geweest.
Been, de hoofdtrainer, dollend met journalisten. Ze genieten van zijn zelfspot. Zoveel fijner dan de mompelende Erwin Koeman, de afgemeten Bert van Marwijk en de docerende Gertjan Verbeek. Met Mario kun je lachen. Dat beeld bevestigt Been net iets te enthousiast.
Ik hoor tot nu toe eigenlijk alleen maar gemeenplaatsen. Hij geeft een vechtende speler een standje. Hij tempert de verwachtingen. En tussendoor doet hij leuk en verliest hij zijn scherpte. In Rotterdam en omstreken zijn er t-shirts te koop met het hoofd van Mario Been, getekend als Che Guevara. Een Cubaanse vrijheidsstrijder die door zijn kop is geschoten.
Een man waar het volk nog steeds mee dweept. Een mythe. Als ik Been was geweest, zou ik tegen zo’n t-shirt hebben geprotesteerd. 'Doe maar niet jongens, die verheerlijking. Ik wil niet met die man worden vergeleken. Ik moet dat nog verdienen.' Been verklaarde vorige week in een interview dat hij het wel lollig vindt. De mensen doen maar. Niet scherp dus.
Ik ken ze inmiddels allemaal, de Been-verhalen. Leuke woning, stijlvol ingericht. Leuk vrouwtje dat overal mee naar toe gaat. Als het tegenzit gaat hij paintballen met zijn team. Been doet dan mee. Mogen de spelers de trainer in zijn nek schieten. Lachen.
Het echte werk komt nog. Ik ben erg benieuwd hoe Been dat gaat oplossen, Roy Makaay na drie wedstrijden uit het eerste zetten omdat hij steeds lustelozer wacht op zijn eerste treffer. Dan is het uit met de pret.
Als Been dan leuk gaat doen en op een persconferentie het volgende verklaart: "Ik zei Makaay tegen Happel en het schilderij flikkerde meteen van de muur", dan weten we dat het nooit meer goedkomt. Is hij toch voor eeuwig de lolbroek gebleven.
Nico Dijkshoorn





