Harald Wapenaar: ‘Ik heb alles in huis voor de top’

Praat mee!

Harald Wapenaar (34) is vrij. Vitesse verloste hem van Portsmouth, waar hij in 2004 geen enkele keer onder de lat stond. De witte raaf is een illusie armer en een boel Engelse ponden rijker. Het merkwaardige verhaal van de keeper die pas op zijn 27ste debuteerde op het hoogste niveau.

© Pro Shots

Harald Wapenaar: ‘Ik heb alles in huis voor de top’

Speel jij nooit een slechte wedstrijd?

‘Ja, ik weet waar je op doelt. Die uitspraak hing op mijn kleedkamerkastje in Utrecht. Dat was een kop boven een artikel die door mijn medespelers was uitgeknipt. Ik speel niet vaak een slechte wedstrijd, zo is het wel. Als ik een ketser maak raak ik geïrriteerd, dan ben ik mentaal zo sterk dat ik de week daarop alles doe om goed te spelen. Ik ben ontzettend kritisch op mezelf, niemand hoeft mij te vertellen als iets niet goed was. Dat weet ik zelf als beste. Vroeger kon ik de hele week boos blijven, dan was ik niet te genieten. Nu draai ik na de wedstrijd de knop om. Ik ben een stuk rustiger geworden, dat maakt me een betere keeper. Mijn vader zit voor het eerst in zijn leven ontspannen op de tribune.’

Zelfs tijdens je rentree in De Kuip op 23 januari? Je had meer dan een jaar niet gespeeld voordat je met Vitesse tegen Feyenoord in actie kwam.

‘Nee, ik zat prima in mijn vel. Bizar natuurlijk, in datzelfde stadion had ik achttien maanden eerder afscheid genomen van FC Utrecht. We wonnen de beker door Feyenoord met 4-1 weg te poetsen, daar moest ik natuurlijk aan denken. Eenmaal op het veld ging het lekker. Het tempo in Nederland is een stuk lager, er wordt meer breed gespeeld. En je moet als keeper natuurlijk coachen, meevoetballen, opbouwen, je bent hier bijna een voetballer met handschoenen. In andere landen moet je gewoon de bal stoppen, de rest is bijzaak.’

In diezelfde Kuip begon waar jouw loopbaan begon.

‘Klopt, als twaalfjarig mannetje werd ik er bij Feyenoord op een Open Dag uitgepikt. Ik speelde in alle jeugdteams, was international bij de vertegenwoordigende elftallen Onder-16, -17 en -18. Daarna werd ik tweede keeper bij Feyenoord achter Ed de Goey. Ik bleef netjes wachten op mijn kans, maar die kwam niet. Achteraf had ik eerder moeten vertrekken, maar Feyenoord was mijn droom. Die club zat echt diep in mijn hart, al die jaren kwam ik over de Van Brienenoord-brug en wilde ik in die Kuip spelen en prijzen pakken. Dat is uiteindelijk gelukt, maar op een heel andere manier dan ik me toen voorstelde.’

Nou ja, netjes wachten... Je was al bekend voordat je een bal had gestopt.

‘In het supportersblad Hand in Hand vertelde ik dat ik hoopte dat Ed de Goey zijn been zou breken, zodat ik eens zou kunnen keepen. Zoiets wens je natuurlijk niemand écht toe. Ik kon het goed met Ed vinden. Ik was nog een jong gastje, had het hart op mijn tong en wilde zó graag spelen. Die uitspraak diende slechts om duidelijk te maken hoe gretig ik was. Dat werd enorm opgeblazen, de landelijke pers nam het over en er was geen houden meer aan.’

Einde Feyenoord en het begin van een zwerftocht door de eerste divisie. Op je 27ste debuteerde je pas in de eredivisie. Was dat niet rijkelijk laat?

‘Ik wilde zelfs stoppen. Bij Excelsior stond Oscar Moens voor me, bij RBC kreeg ik bonje met Wally Jansen, de trainer. Pas bij Helmond Sport kreeg ik een basisplaats. Ik verdiende in die jaren net tweeduizend gulden en reed in een tweedehands autootje op en neer. Mijn vader voorkwam destijds dat ik opgaf. De stap naar Utrecht was mijn redding, ik voelde me daar voor het eerst thuis. Daar is mijn carrière pas echt begonnen. Eigenlijk is het te bizar voor woorden, want ik kon altijd al keepen. Als ik íéts heb geleerd, is het dat je lang niet alles in eigen handen hebt, de beste komt niet altijd boven. In de voetballerij moet je voor jezelf opkomen, anders lopen ze over je heen. Al die tegenslagen maken me tot op de dag van vandaag alleen sterker. Doordat ik zo’n lange weg had afgelegd, kon ik waarderen wat ik had, en wist ik dat ik het niet meer los zou laten. Voor de aftrap gaat er bij mij echt een knop om. Als de wedstrijd begint, is dat het belangrijkste in de wereld. Maar er is meer. Ik kan inmiddels heel goed relativeren.’

Je verstopt je in ieder geval nog steeds niet. Je blijft showkeeper.

‘Ik ben een artiest, je moet het publiek vermaken, daarom speel ik graag in het wit. Sokken, broek, shirt; heerlijk. De mensen willen geen grijze muizen. Ik geloof in het aanvallen van de bal. Mijn filosofie is aanvallend keepen. De doelman moet de situatie bepalen, niet afwachten. Je opponent dwingen keuzes te maken. Gianluigi Buffon is daar het beste voorbeeld van, hij heerst in zijn strafschopgebied, daar staat echt iemand, hij durft zelfs in het roze te spelen. Dan ben je echt een grote. Ik wil net iets anders zijn dan gemiddeld, maar niet omdat ik mezelf zo’n ster vind. Ik ben een jongen die het voor een deel van zijn uitstraling moet hebben, ik wil er stáán. Een keeper is eenzaam. Als een speler scoort, ligt de hele ploeg op hem. Als ik een geweldige bal pak, krijg ik hooguit een klopje op de schouder en dat is het. Die show is voor het publiek, de mensen komen niet voor niets naar het stadion.’

Je bent ijdel genoeg om die belangstelling te koesteren. Dan is het natuurlijk niet leuk om terug te komen na een sportief mislukt avontuur. Twee competitiewedstrijden in Italië en vijf in Engeland is natuurlijk niet wat je van je buitenlandse jaren had verwacht.

‘Ik wist dat mensen zouden zeggen dat ik ben teruggekomen omdat ik niet goed genoeg zou zijn. Daar sta ik helemaal boven, het maakt me niks meer uit wat mensen van me vinden. Vroeger kon ik daar heel erg mee zitten. Ik hoef niet meer zo nodig alles te zeggen wat ik vind. Mensen gaan daar meteen weer allerlei conclusies aan verbinden. Ik heb mijn lesje geleerd. Ik wil niet graag overkomen als een grijze muis, aan de andere kant wil ik steeds vaker achter een paal gaan staan. Interviews en zo hoeven van mij niet meer zo nodig. Laat mij maar lekker met rust. Als ik nu die jonge gastjes overal met hun hoofd dag in dag uit op de buis zie verschijnen en om de boodschap heen zie draaien. Ze moeten mediatraining volgen, ze moeten op hun woorden letten. Nee, dan loop ik liever de stad even in.’

FC Utrecht en Vitesse zijn mooie clubs. Toch wilde jij meer. Ontbrak het jou aan talent om de absolute top te halen?

‘Het ontbrak me aan geluk. Ik heb alles in huis voor de top. Ik heb alleen niet meer zo’n zin dat van de daken te schreeuwen. Ik weet dat ik niet alles eruit heb gehaald wat erin zit. Dat ligt aan allerlei factoren, misschien aan mezelf. Een grote mond helpt niet altijd, Stijn Vreven heeft volgens mij hetzelfde probleem. Stijn had toch allang voor een topclub moeten spelen? Hij is een winnaar, een man die een hele ploeg op sleeptouw kan nemen. Als hij het veld inloopt gaat er een knopje om, net als bij mij. Maar als je altijd zegt wat je vindt, werkt dat niet in je voordeel. Ik ben nu bijna 35 en realistisch genoeg om te beseffen dat ik normaal gesproken geen kans meer krijg om in de absolute top te keepen. Hoe ouder je bent, hoe onwaarschijnlijker een transfer. Natuurlijk droom ik nog van Oranje. Ik zie het alleen niet gebeuren, anders wás het al gebeurd. Ik voel me niet minder dan andere keepers in Nederland. Er zal vast iemand beter zijn dan ik, maar ik weet niet wie. Ik heb dus genoeg zelfvertrouwen. Je hebt het alleen niet allemaal in de hand. Ik vind het jammer dat ik nooit in het eerste elftal van Feyenoord heb gespeeld. Er is weleens belangstelling geweest, maar zolang Pim Doesburg daar als keeperstrainer werkt, zijn mijn kansen niet groot. Hij ziet mij als persoon niet zitten. Normaal gesproken maak ik mijn loopbaan dus in Arnhem af.’

Bijna iedereen is het vergeten, maar voor hetzelfde geld was je nu keeper van Ajax. Voordat je naar Portsmouth ging, was je eigenlijk al rond.

‘Ja, daar waren ze niet blij mee in Utrecht. Ik heb toen echt alles over me heen gekregen. Met sleutels krassen maken op mijn auto, bedreigingen, dreigbrieven; dat was echt verschrikkelijk. En dan gaat het uiteindelijk niet eens door. Om eerlijk te zijn snap ik het nog steeds niet. We waren rond met technisch directeur Leo Beenhakker, toen belde hij de volgende dag op dat ze er alsnog van af zagen. Mijn zaakwaarnemer wilde Ajax aan de overeenkomst houden, die was weliswaar mondeling, maar toch bindend. Voor mij hoefde het niet meer, het is graag of niet. Ik had al met Ronald Koeman gesproken en hij vroeg toen hoe ik mezelf zou opstellen als reserve. Ja, dan ben ik geen lekkere jongen. Ik denk dat ze daarvan geschrokken zijn en dat Koeman en Beenhakker uiteindelijk niet op één lijn zaten.’

Ben jij getemd?

‘Tja, misschien. Niet van binnen, wel naar buiten. Ik heb te veel meegemaakt. Het kleedkamergebeuren vind ik leuk, de humor, het publiek. De rest van het voetbalwereldje zelf is een stinkhol. Nu weer in Engeland met Harry Redknapp, de toenmalige trainer van Portsmouth. Ik vertrouwde hem. In het begin mocht alles, toen hij van me af wilde, kon er plotseling niets meer. Ik keepte de hele voorbereiding, totdat ik een week voor de competitie opeens op de bank belandde. Redknapp werkte al een jaar of zeven met Shaka Hislop en viel toch weer terug op hem. Ik heb mezelf eigenlijk nooit zo netjes gedragen als bij Portsmouth. Ik heb me altijd weggecijferd en dan draait hij je de nek om. Ik speelde uiteindelijk met het tweede elftal wedstrijden op velden waar je je hond nog niet wilt uitlaten. Dan haalt hij gewoon een nieuwe keeper, zodat ik niet eens meer reserve ben. Zonder mij iets te vertellen, ik verdiende waarschijnlijk te veel. Zeg dat dan gewoon! Het niveau kon ik prima aan, dat heb ik op trainingen en wedstrijden laten zien. In het voetbal speelt lang niet altijd de beste. Ik ben vanaf mijn zeventiende contractspeler en loop dus mijn halve leven al in dit wereldje rond. Vaak wegen politieke of financiële belangen zwaarder dan sportieve belangen. Je mag niet te eerlijk zijn. Mensen moeten verdienen aan spelers. Daar leest het publiek niet over, daar schrijft de pers niet over.’

Klinkt als de wielrennerij. Ook jij komt zeker niet met namen en rugnummers?

‘Nee, dan breek je een ongeschreven code. Ik wil geen andere mensen beschadigen. Iedereen weet waar ik het over heb. Dat is mijn probleem altijd geweest; ik ben misschien te eerlijk voor de voetballerij. Ik ga daar allemaal niet over naar buiten treden. Als er een steentje omvalt, dan valt het volgende om. Iedereen weet het, niemand zegt het. Die dingen gebeuren ook in het normale leven.’

Je bent al genoeg beschadigd? Je was de eerste speler in Nederland die werd geschorst wegens doping. Weer was je landelijk nieuws.

‘Ik was als ik het moest geloven een halve drugsverslaafde. Ik werd na een wedstrijd gebeld dat ik positief was bevonden. Het ging gewoon om een hoestdrankje van Natterman. Ik was zó ziek, maar wilde ik toch spelen. Ik kon er bijvoorbeeld niet tegen als er in de seizoensgids geen 34 maar 33 wedstrijden achter mijn naam stonden. Dat vind ik echt afschuwelijk. Tot op de dag van vandaag ben ik nog steeds een junkie als ik uit speel. Toen het uitkwam, wist ik het al maanden. Het vrat echt aan me, ik viel kilo’s af . Eigenlijk was het een opluchting toen het uitlekte. Toen kon ik eindelijk mijn eigen verhaal doen bij Barend & Van Dorp. Ik was bloednerveus, hartslag 160, zóveel zweet onder mijn oksels dat ik mijn armen bij elkaar moest houden. De week daarop speelden we tegen Ajax en keepte ik prima. Zet mij onder druk en ik presteer optimaal. Sindsdien ben ik me pas echt gaan realiseren dat ik beter speel als de spanning groter is. Daarom presteerde ik bij Utrecht zo goed. Het publiek verwachtte in de thuiswedstrijden altijd een prestatie alsof je een speler van een topclub was. Daar zijn daar al heel wat spelers aan onderdoor gegaan. Bij FC Utrecht is altijd wat aan de hand, als het er rustig is dan is het een stilte voor de storm.’

Desondanks presteerden jullie ongekend goed.

‘Dat FC Utrecht was mentaal ijzersterk. Voetballend niet top, maaronverslaanbaar als er druk op stond. Daar zijn we echt naar toegegroeid. Dirk Kuijt, Stijn Vreven, Jean Paul de Jong, mijn persoontje. Wij konden echt met geslepen messen spelen. We waren in staat ploegen zestig, zeventig minuten onze wil op te leggen. Vól gas geven en dan doorgaan. Dat was een legendarisch FC Utrecht. Ik word daar altijd mee geassocieerd, daar ben ik trots op. We hebben toch drie keer Europees voetbal gehaald en twee bekerfinales gespeeld, fantastisch voor een clubje zoals FC Utrecht’.

Toch verliet je FC Utrecht tussentijds voor een avontuur in Italië. Je tekende voor Udinese.

‘Daar kwam mijn zaakwaarnemer ineens mee aan, mooi verhaal is dat. Ik heb toch tegen Zinedine Zidane en Thierry Henry gespeeld. Ik wilde slagen in het buitenland. Natuurlijk wist ik dat het lastig zou worden. Je moet het gevoel hebben dat je fouten mag maken, dat had ik daar niet. Ik was daar helemaal niemand. Het enige dat ik mezelf achteraf kan verwijten is dat ik niet bij Udinese ben gebleven. De president van de club wilde me houden. Hij vond me goed, zei dat ik geduld moest hebben en bood me een contract aan. Mina Raiola, mijn toenmalige zaakwaarnemer, maakte me uit voor ‘mafkees’, omdat ik weigerde. Ik kon zelfs meer verdienen en een paar jaar bijtekenen. Maar ik was veel te hongerig, ik moest terug. Dat kwam mede door Hans van Breukelen, die toen nog bij FC Utrecht werkte. Hij was altijd een voorbeeld voor me geweest als keeper, zijn stijl sprak me enorm aan. Hij wist me precies te raken. Ik heb financieel een ontiegelijke stap terug gedaan, in Utrecht werd ik groots onthaald en voelde ik me welkom. Dat eerste jaar hadden we nog niet de ploeg die we later hadden, we werden tiende. Ik baalde, ik had nog nooit wat gewonnen. Het seizoen erop wilde ik niet weer zo’n net-niet- jaar, ik wilde eens een net-wél-jaar. En dat gebeurde. De laatste dag van de competitie wonnen we met 6-0 , ik pakte tegen FC Groningen twee onmogelijke ballen, en achteraf haalden wij met twee doelpunten verschil Europees voetbal. Geweldig.’

Je verwijt jezelf dat je niet in Italië bent gebleven. Waarom kom je nu dan eerder terug uit Engeland?

‘Geld is niet alles, in Engeland blijven was dodelijk voor mijn loopbaan. Kijk naar Winston Bogarde, die verdiende dan 45 duizend pond (bijna 68 duizend euro, red.) per week en bleef eenzaam zijn rondjes op het trainingsveld lopen. Dan heb je het na vier jaar toch gezien? Geld is belangrijk, maaraan het einde van de rit tellen er andere dingen. Wat maakt het nu uit of je tien of vijftien miljoen euro hebt? De kwaliteit van het leven wordt er niet beter op. Zo’n maandelijks loonstrookje is even leuk, maar houdt je uiteindelijk niet op de been. Ik heb een goede deal met Vitesse, ik verdien hier in drie jaar wat ik daar in twee jaar zou verdienen. Ik speel dus gewoon een jaartje langer voor hetzelfde geld. Financieel heb ik het uitstekend gedaan. Ongelooflijk dat je in zo’n korte tijd financieel onafhankelijk kunt worden, sportief is het hooguit een 6’je. Daarom wil ik met Vitesse weer Europees voetbal halen, misschien een beker pakken. Waarom niet? Ik weet dat we dat kunnen, maar ik wil het niet meer hardop zeggen, je moet andere jongens niet onnodig onder druk zetten. De ene speler vindt dat heerlijk, de ander raakt daardoor verlamd. We staan nu vijfde; we winnen van Feyenoord. Van wie moet Vitesse nou bang zijn? Alleen van zichzelf toch? Vitesse was altijd een beetje te netjes, wat dat betreft is het goed dat we een beetje Utrechtse inslag hebben. De selectie is alleen te smal. Vitesse kan wel een Abramovitsj gebruiken.’

Nu zet je tochweer druk op het seizoen. Is het niet slimmer om je bij de doelstelling van de trainer aan te sluiten?

‘De club wil tussen de achtste en twaalfde plaats eindigen. Ikzelf leg de lat hoger. Voor andere spelers is het misschien wel goed om niet te erg onder druk te staan. Hoe meer druk, hoe beter het voor mij is. Druk doet veel met een mens. De ene speler slaat dicht, de ander leeft op. Toen ik met Udinese tegen Parma moest spelen, zat ik te shaken in de kleedkamer. Tijdens de busrit naar het stadion was ik zóver heen, dat ik niet eens meer kón voetballen. We liepen in de tunnel, je doet heel stoer, maar ik voelde me heel klein. Ik liep helemaal leeg. Totdat het fluitje ging. Dan hoor je en voel je niks, dan speel je in een tunnel. De ontlading daarna was gigantisch. Later vraag je je af waarom je dat wilt? De adrenaline in je lijf is zó storend, en tóch wil je het terug. Wat dat betreft lijkt voetballen op topniveau op het gebruik van drugs. Het is afschuwelijk, maar je verlangt er iedere keer weer naar. Het is verslavend.’

Video

Harald Wapenaar: ‘Ik heb alles in huis voor de top’