'De voetballer George Best leeft voort'
De consequentie van mijn leeftijd is dat ik sommige voetballers nooit in levenden lijve heb zien spelen. Abe Lenstra ken ik vooral van sagen en sprookjes, van sterke verhalen bij Friese Beerenburgers en het T-shirt dat Foppe de Haan ooit droeg tijdens de eerste training van SC Heerenveen. Abe was beter dan Cruijff, stond erop.
© Pro Shots

De maestro uit Betondorp zag ik pas live nadat hij in 1981 was teruggekeerd bij Ajax. Van vaderlijke vertellingen wist ik al van zijn grootsheid. En Faas Wilkes is voor mij een middengolfvedette. Cassettebandje erin en in de stem van ir. Ad van Emmenes wegdromen in oneindige dribbels die Italiaanse, Spaanse en Belgische verdedigers deden verstenen.
Ze zijn striphelden geworden, ontstaan in de kracht van de verbeelding. Omdat ze stammen uit de oertijd, dat het stadion nog voelde als een knapperend haardvuur in plaats van een kille businesslounge. Uit de tijd dat de tv soms een enkele flits in zwart-wit uitzond en niet zoals nu een alziende Big Brother is met veertien ogen die voetballers in al hun schoonheid maar ook ontluistering laat zien. Pure romantiek. Want striphelden doen nooit iets verkeerd met een bal.
Zo is het ook met George Best. Toen hij in 1974 stopte bij Manchester United en dus met topvoetbal, was hij 27 jaar en ik zeven. Thuis keken we naar de Bundesliga, niet naar United. The Wonder in Red heb ik dus zelden aanschouwd. Of het moeten die spaarzaam terugkerende beelden zijn van 29 mei 1968. De locatie is Wembey, de affiche Manchester United-Benfica; Europa Cup I-finale. Een man van net 22 jaar pikt in het begin van de verlenging de bal op rond de middenlijn, zet aan voor een duizelingwekkende demarrage en omspeelt vervolgens vier man. Achteloos, alsof het beelden van Madame Tussaud zijn. Om de bal daarna ijskoud in het doel te schuiven. The Besty noemden ze hem, nadat hij voor het eerst een Engelse club naar de Europa Cup voor landskampioenen had geschoten.
Het is bitter weinig, maar toch voldoende. De fantasie doet de rest en slaat op hol als Best in zijn beste dagen. Die fantasie leest namelijk hoe de inmiddels overleden schrijver Nico Scheepmaker in 1965 denkt dat de Amerikanen nu al op de maan zijn geland. Hij heeft in een cafeetje op een zwart-wit tv Benfica-Manchester United (1-5) aanschouwd en daarin iets van een wereldwonder gezien. George Best, achttien jaren jong. En dan is er nog Bests biografie Blessed, uit 2001, die verhaalt over een opstandig karakter tot en met. Van een jongetje dat in Belfast werd geboren uit protestantse ouders en het onmogelijke deed door supporter te worden van het katholieke Glentoran, omdat zijn geliefde opa dat ook was. Van de glamourboy die als eerste profvoetballer lange haren droeg en het shirt nonchalant over de broek liet hangen. Die de primeur had van een eigen boetiek in het centrum van Manchester. Die als twintigjarige vedette de mooiste vrouwen aan zijn voeten wist, maar dát veel te gemakkelijk vond en het daarom aanlegde met een getróúwde vrouw. Altijd maar dwars, James Dean op noppen, Rebel without a cause. Want hij kraaide het oproer niet uit overtuiging, maar volgde louter zijn innerlijke ik. Zo was-ie gewoon. Altijd maar fladderen. Ofwel met de bal aan zijn voeten langs de lijn, ofwel met zijn verloren ziel onder de arm langs de randen van het leven.
Ach, dat zelfdestructieve ego; alles heb ik er de afgelopen dagen van gelezen. Over zijn voorliefde voor snelle auto’s. Over zijn hardblauwe ogen en paringsdrift in de lendenen die talloze vrouwen deden sneuvelen. Over zijn hang naar alcohol, de smerigste tackle uit zijn carrière die hij uiteindelijk niet kon ontwijken. Nu is-ie dood.
De voetballer echter niet. Die leeft als een stripheld voort in de genade van de verbeelding. Kijk maar hoe hij weer aanzet voor een geniale dribbel. Onstuitbaar. Eindeloos. Fladder maar.





