'De meeste trainers lijken wel neuroten'
Er waren tijden dat Theo Verlangen tijdens een wedstrijd boven op het dak van de dug-out klom. Dat Barry Hughes een rolfluitje in zijn mond nam. Dat Fritz Korbach na zijn ontslag bij SC Cambuur de woorden 'dank u, meneer de voorzitter' sprak, naar huis vertrok om een nieuw pak aan te trekken en terugkeerde om een borrel op zijn congé te drinken. Het waren kleurrijke trainers die een zeldzame gave deelden: ze waren in staat hun ambt, maar bovenal zichzelf te relativeren.
© Pro Shots

Die tijden zijn geweest. Frank Rijkaard, met zijn meestersoog voor het betrekkelijke, is nog zo'n uitzondering. De Barcelona-coach komt tijdens een wedstrijd alleen uit zijn bevroren houding omdat hij weet dat het Spaanse publiek dat graag ziet. Sinds Guus Hiddink beseft dat de macht over de wereld aan hem is, kan ook hij naar een wedstrijd kijken met de kalmte van een boer die zijn gewassen aanschouwt. En nu Louis van Gaal tevreden lijkt met zichzelf en zijn werkomgeving, heeft zelfs hij de vinnige karatetrap afgezworen. De meeste trainers echter lijken wel neuroten. De stress is hen in het gezicht gekropen, hun voorhoofd vertoont het indrukwekkende lijnenspel van de Mississipi-delta. De werkdruk doemt ze tot eten uit de magnetron, tijd om hun vrouw te behagen of te slaan is er niet meer en ze wekken de indruk het meest opgejaagde leven van ons allemaal te leiden. Sinds voetbal een orgie van commercie is geworden en houdbaarheidsdatum een modewoord voor trainers, lijkt het vak wel een kastijding. Dat is het ook als je Dolf Roks heet en heen en weer geslingerd wordt in de cabareteske schiettent van RBC Roosendaal. En wij, de hijgerige executeurs van de media, en zij, de niets wetende en al eisende sponsors, zullen zeker hun rol spelen. Maar dan nog blijft het merkwaardig te constateren, die opstoot van de gekwetste ego's van de dug-out. Die talrijke momenten tijdens wedstrijden waarop bij trainers de rede, de controle en het analytisch vermogen het glansrijk verliezen van de emotie. We hebben in de rust van AZ-Ajax gezien hoe Danny Blind uit zijn rol van beschaving viel. We zien al een competitie lang hoe Huub Stevens als een donderwolk over de Nederlandse velden jaagt. Zelfs hun assistenten doen mee in die ontlading van opgekropte woede. Het hoofd van Gerard van der Lem bijvoorbeeld, blijkt steeds weer roder te kunnen aanlopen. En Raymond Atteveld brak na Roda JC-Feyenoord als een commando door de vijandelijke linies om achter een vervelende fotograaf aan te gaan. Vorige week woensdag was ik bij FC Twente-Sparta, Wiljan Vloet was ook meegekomen. Vreemde man. Komt met zijn ploeg langs om op het veld een gordel van beton op te trekken, draagt in niets bij aan voetbalplezier, laat tegenstander én publiek in slaap sussen en als je net lekker ligt te dommelen, begint-ie je wakker te schreeuwen. Zelfs na afloop van de wedstrijd zette Vloet nog een stem als een misthoorn op. Hij ging zodanig tekeer tegen scheidsrechter René Temmink dat de inwoners van Spangen uit de ramen gingen hangen omdat ze dachten dat er een tram was ontspoord. En waar draaide de tirade om? Niet om het abominabele spel van zijn voetballers, maar om een vrije trap die volgens Vloet niet op de goede plaats was genomen. Het gebeurde precies één dag na de verschrikking die David Di Tommaso ten deel was gevallen. Een mooi mens en een goede voetballer, weggerukt uit de bloei van het bestaan. Op 26-jarige leeftijd, zomaar. Dan zou je toch verwachten dat iedereen weer bij zinnen is en zichzelf en het beroep waaraan hij vrijwillig overgeleverd is, niet zo serieus neemt. Dat intelligente mensen beseffen dat er in het leven zoveel belangrijker zaken zijn dan een scheidsrechterlijke dwaling of een bal op de verkeerde kant van de paal. Namelijk het leven zelf.
Peter Wekking





