'Chelsea is een sociëteit voor patsers'

Praat mee!

Eind jaren zestig was ik voor het eerst in Londen. Daar gebeurde het, in Swinging London: de hippe winkels in Carnaby Street, Van Morrison en de restanten van THEM, Terry Reid – een zanger die altijd in de obscuriteit is blijven steken – Rod Argent en Colin Blunstone van The Zombies, en The Artwoods, de bluesband van Artie Wood, broer van Rolling Stone Ron Wood. En natuurlijk bezocht ik een thuiswedstrijd van Chelsea, dat was destijds dé hippe club. Tottenham Hotspur was een hooghartige club, Arsenal een klassieke en West Ham United lag in een uithoek van de stad. Op Stamford Bridge keek je je ogen uit. Er werd oogstrelend gevoetbald en het wemelde er van de beroemde acteurs en popsterren. Iedereen die iets voorstelde wilde in de omgeving van King’s Road wonen. Het was trendy om de thuiswedstrijden van Chelsea te bezoeken.

© Pro Shots

'Chelsea is een sociëteit voor patsers'

Die dag, tijdens het duel met Queens Park Rangers, werd ik Chelsea-supporter. Ik viel meteen voor die prachtige blauwe tenues, met witte kousen. Het maakte zo’n enorme indruk, dat ik het elftal nog steeds kan uittekenen. Peter Bonetti was een spectaculaire keeper, hij zou 729 wedstrijden voor de club spelen. Omdat de bondscoaches eerst voor Ron Springett kozen en later het vertrouwen aan Gordon Banks gaven, speelde Bonetti slechts zeven interlands. De hangende linksbuiten Charlie Cooke was mijn favoriet. Hij sleet zijn nadagen in Amerika, waar hij nog steeds woont. Cooke runt daar de Wiel Coerver Soccer Camps. Ron Harris en David Webb waren keiharde verdedigers. Harris had de bijnaam Chopper (Hakker). Webb was in 1993 nog even manager van Chelsea, maar moest al snel plaatsmaken voor Glenn Hoddle. Peter Houseman sprak me als voetballer niet zo aan, hij kwam heel tragisch om het leven. Zijn vrouw en hij overleden in 1977 aan de gevolgen van een auto-ongeluk. Het echtpaar Houseman liet zes kinderen achter. Alan Hudson was met George Best een van de eerste spelers met de uitstraling van een popidool en Ian Hutchinson knapte in de aanval het vuile werk op voor Peter Osgood. Om het team niet in de steek te laten slikte hij dagelijks pijnstillers. Na zijn afscheid bleek Hutchinson verslaafd te zijn aan die middelen. In 2002 overleed hij totaal berooid, onder erbarmelijke omstandigheden.

Peter Osgood was de sterspeler en de flamboyante aanvoerder van de stapploeg, want na iedere wedstrijd stortten de voetballers zich in het mondaine nachtleven van Londen. Later zou Ozzie zelf een bar runnen, maar de spits die op 31-jarige leeftijd al versleten was, bleek een slecht zakenman en ging failliet. Bobby Tambling, die 202 doelpunten maakte voor Chelsea, was al in zijn nadagen. Hij zou later Jehova’s Getuige worden en heeft zich nooit meer op Stamford Bridge laten zien. Het was een elftal om van te houden, terwijl deze kleurrijke spelers weinig grote prijzen wonnen. Wel vulden ze wekelijks de pagina’s van de Engelse tabloids met smeuïge verhalen uit hun privé-leven. Opmerkelijk is dat deze spelers nog steeds als helden worden onthaald in het stadion.

Stamford Bridge was er eerder dan Chelsea. In 1877 werd het stadion gebouwd voor de London Athletics Club. Stamford Bridge moest de concurrent worden van het beroemde Crystal Palace Stadium in Zuid-Londen. Eigenaar Gus Mears kwam er al snel achter dat het dure stadion niet rendabel te maken was met wielrennen, atletiek, rugby, speedway en greyhound racing. Daarom benaderende hij het naburige Fulham om in zijn stadion te komen voetballen. Omdat Fulham op Craven Cottage bleef, liet Mears zijn vriend Fred Parker een club oprichten. In juni 1905 werd dat Chelsea en had Mears een voetbalteam in zijn stadion. Chelsea groeide uit tot een wereldberoemde club, een legende. Dat is vreemd, want het won zelden aansprekende prijzen. Honderd jaar Chelsea leverde drie FA Cups, twee Football League Cups, een Full Member Cup, een Zenith Data Systems Cup, twee Europa Cups voor bekerwinnaars en een Super Cup op. Chelsea werd slechts één keer kampioen van Engeland. Onder manager Ted Drake, een ex-speler van Arsenal, behaalde de club op 23 april 1955 haar enige landstitel.

Voor de beleidsbepalers werd dat een obsessie. Wat ze ook probeerden, het kampioenschap veroverde Chelsea nooit meer. Ook niet nadat de excentrieke miljonair Ken Bates de familie Mears had uitgekocht en veel geld in spelers had geïnvesteerd. Bates realiseerde wel het chique Chelsea Village, een tegen het stadion aangeplakt uitgaansgebied met hotels, restaurants, bars, fitnessclubs en de gigantische Chelsea Store. Het ziet er allemaal gelikt uit, maar Chelsea Village is niet weggelegd voor de modale voetbalsupporter. De prijzen zijn huiveringwekkend, evenals die van de toegangskaartjes voor de wedstrijden. Bates maakte van Chelsea een patserige club. Nadat hij in financiële problemen was gekomen, verkocht hij de club aan de op één na rijkste inwoner van Engeland, de Rus Roman Abramovitsj. De miljardair smeet met geld, maar kocht wel een winnend elftal bij elkaar. Dat maakt Chelsea binnenkort voor de tweede keer in de historie kampioen van Engeland.

Intussen denkt coach José Mourinho dat híj verantwoordelijk is voor het succes. Hij is wel de eerste die gaat profiteren van de ontwikkelingen op Stamford Bridge. De Portugees kan een contract tekenen dat hem de komende jaren vijftien miljoen euro oplevert. Mourinho, die het vak als assistent van Louis van Gaal in Barcelona leerde, provoceert de voetballerij met zijn arrogante gedrag, terwijl Chelsea aan het voetballen krijgen nauwelijks een verdienste is. Opvallend is dat de eigen aanhang nergens een probleem van maakt. De identiteit van de club is opgeofferd, maar de fans juichen de Russische voorzitter tijdens elke thuiswedstrijd toe. Als Mourinho elf buitenlanders opstelt, geven de supporters geen kik, als de spelers maar een blauw shirt dragen en winnen. Dat is de grote frustratie op Stamford Bridge. Chelsea heeft gedurende honderd jaar voortdurend leuk gevoetbald, maar veel te weinig gewonnen. De club kijkt jaloers naar Arsenal, Liverpool en Manchester United. Dat Chelsea eindelijk succes heeft, dankt het aan een puissant rijke dertiger. Die liet vorige week op zijn honderd miljoen euro kostende jacht Pelorus een helikopterplatform aanbrengen, zodat hij vanaf zijn boot naar een wedstrijd kan vliegen.

Onlangs bezocht ik opnieuw een thuiswedstrijd van Chelsea. Het was een ontnuchterende ervaring, Chelsea is mijn club niet meer. Ik heb medelijden met al die gezinnen die zich alles moeten ontzeggen om seizoenkaarten te kunnen kopen. Chelsea is een sociëteit voor de nouveau riche geworden, het speelgoedje van een jeugdige Rus die ten koste van alles wil winnen. Hij schonk de club een extreem goede selectie en coach Mourinho is zo goed als de kwaliteiten van zijn spelers. Als dagje uit is Chelsea best interessant. Arjan Robben doet het bijvoorbeeld geweldig, maar ik zal de underground niet meer nemen naar Fulham Broadway, omdat ik het oude Chelsea nog heb gekend. Die club won zelden een prijs, maar de unieke Engelse voetbalsfeer droop van de muren op Stamford Bridge. Vijftig jaar na dato wordt Chelsea opnieuw kampioen van Engeland. Gefeliciteerd!

Johan Derksen

Video