Achter de kleedkamerdeur met Been: humor, druk en de wijsheden van Cruijff
De kleedkamer in de voetbalwereld blijft altijd gesloten voor de buitenwacht. Hoe bereiden spelers zich eigenlijk voor op grote wedstrijden? Welke teamgenoot was heel bijgelovig? En wie stond het langst voor de spiegel? Verschillende voormalige topvoetballers geven een kijkje achter de kleedkamerdeur. In aflevering 2 Mario Been (61), die als jonkie doorbrak tussen de sterren bij Feyenoord en later mooi avonturen beleefde als speler en trainer.
© Pro Shots

Hoe bereidde jij je voor op een belangrijke wedstrijd?
‘Ik hield heel erg van netheid en legde mijn kleding al klaar voor onze wedstrijdbespreking. Dan stonden mijn gepoetste schoenen netjes met de neuzen naar de voorkant. Verder had ik zelf niet zo veel bijzonderheden. Ik weet nog goed dat ik als jonge speler nooit mocht worden gemasseerd. Alleen de oudjes en de grote jongens lagen altijd op de tafel bij ome Gerard Meijer. In het seizoen 1983/84 waren dat mannen als Johan Cruijff, Bennie Wijnstekers, Sjakie Troost en Ruud Gullit.’
Besteedde jij veel aandacht aan je uiterlijk voordat je het veld opstapte?
‘Ik had een matje en een oorbelletje, dat was een beetje de Rotterdamse uitstraling in die tijd. Dat moest er allemaal wel goed uitzien en na de warming-up stond ik toch nog even voor de spiegel om mijn haar goed te doen. Het was toen ook nog een tijdje erg modieus om een snor te laten staan. Bij mannen als Michel van de Korput, Henkie Duut, Joop Hiele en Wijnstekers was dat allemaal geen probleem. Ik wilde dat ook, maar bij mij duurde het wel heel lang voordat er überhaupt iets stond. Eigenlijk waren het meer van die vlashaartjes. Het zag er niet uit, maar iedereen had dat nou eenmaal in die tijd.’
Had jij ook bepaalde rituelen of bijgeloven voor een wedstrijd?
‘Nee, als voetballer eigenlijk niet, maar als trainer is dat wel gekomen. In mijn tijd bij NEC stonden we op een gegeven moment één na laatste. We wonnen geen wedstrijd, tot ik met mijn assistent-trainer Ron de Groot een hapje ging eten in Bistro de Bok in het centrum van Nijmegen. We waren daar op maandag en toen gooide ik per ongeluk het potje met tandenstokers om. Ik deed ze weer netjes terug in het bakje. En wat bleek nou? We wonnen de volgende wedstrijd eindelijk weer eens. Vanaf dat moment gingen we iedere maandag naar diezelfde bistro en iedere keer heb ik expres het bakje omgegooid en de tandenstokers er weer netjes terug in gedouwd. Het hielp klaarblijkelijk, want we bleven maar winnen en haalden Europees voetbal.’
© Pro ShotsHeb je ook veel bijzondere rituelen bij je teamgenoten gezien door de jaren heen?
‘Wijnstekers stond altijd lang voor de spiegel en wilde als eerste het veld op. De hele ploeg moesten wachten in de tunnel, tot hij uiteindelijk als eerste naar buiten ging. Cruijff was juist compleet relaxed. Hij was zo goed dat hij het altijd maar gewoon zag als ‘een voetbalwedstrijdje’. In zijn ene jaar bij Feyenoord verloren we met 8-2 van Ajax in het Olympisch Stadion. We zaten na afloop in de bus en wilden het liefst onder de raampjes kruipen. Johan kwam als laatste de bus in en zag ons als lamme schaapjes zitten. Hij zei: “Jongens, ga eens rechtop zitten, we hebben maar één wedstrijd verloren. Geloof me: wij worden kampioen en gaan ook de beker winnen”. Nou, de rest is geschiedenis.’
Geldt over het algemeen: hoe beter de voetballer, hoe meer ontspannen die is voor een wedstrijd?
‘Vaak wel. Als het hard had geregend, droeg Cruijff ook altijd van die kleine leren nopjes met drie spijkertjes onder zijn schoenen. Dan zei ik tegen hem: Johan, je glijdt straks toch uit met zulke kleine nopjes? Dan antwoordde hij: “Ik weet dat het glad is, dus dan glijd ik niet uit”. Zoveel zelfvertrouwen hadden dat soort mannen, ook Gullit was altijd compleet ontspannen. Hij was aan het zingen, was nog als laatste aan het biljarten in het spelershome en in de tunnel stond hij vaak nog te dollen met tegenstanders.’
Later heb je ook in Italië tegen het Napoli van Diego Maradona gespeeld. Deed je nog iets anders in je voorbereiding als je wist dat je tegen zo’n ster zou spelen?
‘Jazeker, want iedere keer als ik in die tijd tegen een wereldster speelde, regelde ik met een plaatselijke fotograaf dat er mooie foto van mij en die topvoetballer zou komen. Bijvoorbeeld als ik tegen het AC Milan van Gullit, Marco van Basten en Frank Rijkaard speelde of tegen het Internazionale van Andreas Brehme, Lothar Matthäus en Jürgen Klinsmann. Toen we tegen Napoli speelden, had ik maar één droom: een foto met Diego. Ik heb de hele warming-up alleen maar naar hem staan kijken. Daarna ben ik even snel met hem op de foto gegaan. Die foto hangt nu als groot schilderij in mijn huis.’
© Focko van Dantzig.Op de foto met Marco van Basten.
Waren voetballers in Italië nog een stuk verzorgder en ijdeler dan in Nederland?
‘Ik weet nog dat ik daar voor het eerst kwam en witte sokken aan had. Dat was écht not done daar. Die gasten stonden me echt aan te kijken en uit te lachen: Wat draag jij nou weer? Tot de clubpresident ons op een gegeven moment regelmatig meenam naar zo’n schitterende Italiaanse modezaak. Daar kreeg ook ik van die lange, zijden sokken aangemeten. Voor de wedstrijd moesten we ook allemaal netjes in het kostuum van Pisa naar de club komen. De president was daar ook heel scherp op; je kreeg het wel te horen als je stropdas niet perfect zat.’
In hoeverre denk jij dat er goed uitzien invloed heeft op prestaties op het veld?
‘In principe blijft je haar niet lang goed zitten, want je gaat ook rennen, koppen en zweten. Alleen denk ik wel dat het belangrijk is om met een bepaald gevoel het veld op te stappen. Het zorgt wel voor vertrouwen als het tenue lekker zit en je goede schoenen aan hebt. Verder was ik tijdens de wedstrijd geen seconde bezig met hoe mijn haar zat. Ik heb genoeg foto’s thuis die dat bewijzen, want mijn haar zat vaak alle kanten op.’
Mis je de kleedkamer nog weleens?
‘Zeker, in mijn Feyenoord-tijd liep er nog een mannetje of acht uit Rotterdam rond. Dat is tegenwoordig bijna nergens meer zo. Het dollen onder elkaar mis ik nog weleens. Ik weet nog goed dat ik in 1984 was genomineerd voor de prijs voor het grootste talent van Nederland. Ik had voor die uitreiking voor het eerst een eigen kostuum en stropdas gekocht. Na de training zouden we met z’n allen die kant opgaan. Ik was me aan het aankleden en zag plotseling een pochetje in het borstzakje van mijn colbert zitten, terwijl ik die helemaal niet had gekocht.’
© Pro ShotsHoe kwam die daar?
‘Daarna wilde ik mijn stropdas omdoen en bleek dat ze hem dwars doormidden hadden geknipt. De ene helft hadden ze als pochet in mijn borstzak gedaan en de andere helft in mijn broekzak. Ik was pislink, want ik wilde er natuurlijk goed uitzien voor die prijsuitreiking. Dat was de humor in die tijd. Maar nadat ze me een tijdje hadden laten zwemmen, toverden ze wel een nieuwe stropdas tevoorschijn. Wijnstekers heeft hem in de bus zelfs nog netjes bij me omgeknoopt, zodat ik uiteindelijk alsnog netjes die prijs in ontvangst kon nemen.’
Werd er in de kleedkamer ook gepraat over serieuze onderwerpen?
‘Nee, niet echt. Ik trok in die tijd heel veel op met mijn teamgenoot Duut. Als ik ergens mee zat, bijvoorbeeld dat ik vond dat ik te weinig speelde, sprak ik daar vooral met hem over. Tegenwoordig zitten er veel meer mensen bij een trainersstaf, die spelers ook kunnen helpen met andere problemen. In die tijd was de remedie gewoon hard blijven trainen en dan zouden de kansen vanzelf wel weer komen.’
Werd er ook over uiterlijke onzekerheden gesproken?
‘Niet echt. In het begin had ik weleens jeugdpuistjes en werden we uitgerekend precies dan op de foto gezet voor de elftalposter. Dan probeerde ik die weg te werken met crèmepjes. Daar zat ik weleens mee, maar daar werd niet echt over gepraat. Gelukkig heb ik zelf geen last gehad van bijvoorbeeld haaruitval. Ik word nu 62 jaar en vind dat ik nog een heerlijke kop met haar heb. Ik kan me wel heel erg goed voorstellen dat spelers haaruitval als vervelend ervaren en het een ding voor ze kan zijn.'
Denk je dat spelers tegenwoordig opener zijn in het praten over dit soort onzekerheden?
‘Ja, in interviews lees ik dat spelers tegenwoordig wel mensen in de hand nemen om bijvoorbeeld mentaal helemaal in orde te zijn. Spitsen die weinig scoren nemen contact op met een oud-spits om te vragen hoe hij vroeger door zo’n fase heen is gekomen. In mijn tijd was het meer de mentaliteit dat spelers maar gewoon hun mouwen moesten opstropen, maar gelukkig is tegenwoordig voor alles wel een persoon of een oplossing te vinden.’
Hoe ging jij om met de spanning en druk in de voetballerij?
‘Als speler was ik vrij frivool en wilde ik gewoon lekker voetballen. Als coach heb ik wel fases gehad waarin ik het even helemaal niet meer wist. Bij NEC wonnen we dus in een half jaar eigenlijk geen wedstrijd. Daar sliep ik wel nachten slecht van, terwijl ik ondertussen in Nijmegen maar bleef roepen dat het allemaal goed zou komen. Het trainersvak was soms zo onvoorspelbaar. Daarnaast was ik er ook wel klaar mee dat ik soms met mensen werkte die weinig van voetbal wisten.'
Zoals?
‘Ik ben nog even trainer geweest bij APOEL Nicosia op Cyprus. De voorzitter gaf mij briefjes met de gewenste opstelling, maar daar stonden namen op van jongens die vanwege blessures al drie weken niet op het trainingsveld hadden gestaan. Op een gegeven moment had ik daar wel genoeg van en heb ik een streep onder mijn bestaan als trainer gezet. Ik heb nu drie kleinkinderen, ben gek op golfen, heb een mooi appartement in Spanje en een mooie baan bij ESPN. Ik hou ook gewoon heel erg van het leven en ben blij dat die stress van het trainersvak achter me ligt.’
Dit interview is in samenwerking met L'Oréal.





