*

Voetbal International
Home / Achtergronden / Columns / Johan Derksen

'Rood-blauwe leeuwen, een uitstervend ras'

30/11/2009 09:30

Zodra we in de gang onder de hoofdtribune arriveerden, belde de oude suppoost met de speaker, dat we klaarstonden. Vervolgens schalde er een opzwepend muziekje over de Jan Gijzenkade. Met een pathetische stem kondigde de speaker onze komst aan: 'En hier zijn ze dan dames en heren, de rood-blauwe leeuwen.'

En dan kwamen wij het veld op, inderdaad in rode broeken en blauwe shirts, een paar leraren, een register accountant, een journalist, wat middenstanders, de zoon van een Amsterdamse buurtkapper, een ex-international uit Polen en een kunsthandelaar.

Als semi-profs namen we het op tegen PSV met Willy en René van de Kerkhof, Jan van Beveren en Willy van der Kuylen, Ajax met Ruud Krol, Johnny Rep en Ruud Geels, Feyenoord met Willen van Hanegem, Jörgen Kristensen en Wim Jansen, FC Utrecht met Co Adriaanse, Henk Wery en Leo van Veen, FC Den Haag met Aad Mansveld, Tscheu La Ling en Martin Jol of FC Twente met Theo Pahlplatz, Epi Drost en Frans Thijssen. U kijkt er natuurlijk niet van op als ik u verklap dat we uit de Eredivisie degradeerden.

Zelfs dat gebeurde op ludieke wijze. Aan het eind van de rit kwamen we één punt te kort. Tijdens de uitwedstrijd tegen De Graafschap schoot Guus Hiddink naast, de bal stuitte via het reclamebord het veld weer in en de huidige voorzitter van De Graafschap, Sietze Veen, schoot de bal balorig in het doel. Zelfs de supporters op De Vijverberg waren verbijsterd toen scheidsrechter Louis Beukman naar het midden wees.

Het werd uiteindelijk 2-2, waardoor Haarlem degradeerde. Buiten onze trainer Barry Hughes lag niemand er wakker van in het statige Haarlem. Hughes was het boegbeeld van de club, hij hield Haarlem op een kleurrijke wijze in het nieuws, maar het voetbal leefde totaal niet in de stad.

Toen ik mezelf vorige week op een elftalfoto uit de jaren zeventig terugvond, bij een verhaal over het zieltogende Haarlem, kwamen al die herinneringen weer boven. Haarlem was een leuke club om te voetballen. We hadden een aardige selectie met de plaatselijke helden Pieter Huyg, Gerrit Peijs en Beer Wentink, bondscoach Cor Pot liep er, ADO Den Haag-directeur André Wetzel was er contractspeler, evenals de voormalige Ajacied Gerrie Kleton, de piepjonge Johnny Metgod.

Metgod at de hele dag cano’s van de warme bakker, een soort langwerpige gevulde koeken en zeulde altijd een grote draagbare radio mee, waaruit verkeerde muziek kwam. Jan Fransz was onze veteraan, Piet van den Berg voetbalde eigenlijk te laag voor zijn fluwelen techniek en Jerzy Sadek hing in de kantine tot sluitingstijd aan zo’n gokmachine en loofde premies van vijfentwintig gulden uit aan spelers die Pot tijdens de training een schop gaven.

Ex-international Piet van der Kuil, ooit een groot voetballer bij Ajax en PSV, trainde het tweede elftal. Hij kon blaffen als een hond en liet zich na iedere training door zijn jonge groep verleiden tot een demonstratie.

Hughes was in mijn ogen een toptrainer, maar hij werd door de topclubs niet serieus genomen vanwege zijn nevenactiviteiten. Als we na een training naar huis reden, keken we er als spelers niet vreemd van op als onze trainer met stip was gestegen in de top tien van carnavalskrakers en op de avond voor een belangrijke wedstrijd dook onze trainer regelmatig op in De Mounties Show op de televisie.

We hadden zelfs drie voorzitters. Henk Hut was het financiële brein bij de Hoogovens, hij had wel degelijk kwaliteiten. Ere-voorzitter Piet van Houten was fractievoorzitter van de VVD in Haarlem en ging altijd in de spelersbus mee, maar moest onderweg om de haverklap plassen. Tien minuten buiten Haarlem stond hij bij Schiphol al langs de weg tegen de wind in, met alle gevolgen van dien.

In de koffiekamer bij Feyenoord hoorde ik hem ooit tegen voorzitter Gerard Kerkum snauwen: 'Zeg jongeman, bel jij eens even naar het clubhuis van Koninklijke HFC voor de uitslag van het eerste elftal.'

Co Gosen had een groentewinkel in Haarlem-Noord. Hij hield zich arm, maar was gefortuneerd, want hij bezat een vermogen aan onroerend goed. De contractbesprekingen hadden plaats bij hem in de bijkeuken, achter de groentewinkel. Daar zat de hele familie bij; dochters, echtgenote en oma.

En de onderhandelingen werden regelmatig onderbroken door de winkelbel. Haarlem was een gemoedelijke club voor de gegoede middenstand uit de stad. De club straalde geen ambitie uit, nam geen risico’s en was niet aantrekkelijk voor grote sponsors, maar paste perfect bij mijn gemankeerde voetbalcapaciteiten.

Na het vertrek van Hughes lijkt de club niet meer te bestaan. Trainer Dick Advocaat zorgde voor een kleine opleving en onder Hans van Doorneveld werd er zelfs nog Europees voetbal gespeeld, maar daarna is het louter kommer en kwel. Bestuursleden deden hun uiterste best, maar aan Haarlem was blijkbaar geen eer te behalen. Ik smul van alle nostalgische verhalen over de clubiconen Kick Smit, Wim Roozen, Piet Groeneveld, Joop Odenthal, Cees Kuys en Henk Angenent.

Ik weet dat Haarlem na Sparta de oudste club in het betaald voetbal is en dat Haarlem in 1946 kampioen van Nederland was. Dat zijn leuke feiten voor een gedenkboek, maar de club heeft er momenteel niets aan. Het is vertederend dat Ruud Gullit, Martin Haar, Arthur Numan, Gregory van der Wiel, Barry van Galen en Piet Keur als ambassadeurs optreden, maar de penningmeester had vorige week woensdag nog negen ton nodig om te kunnen overleven.

Manager Dino Rasmijn en voorzitter Dick Hulsebosch zijn opgestapt omdat ze geen toekomst meer zagen, zakenman Erik de Vlieger schoot de salarissen al een keer voor en de gemeente vindt de club als instrument voor citymarketing blijkbaar niet belangrijk. Al heeft de wethouder van sport wel laten weten dat het verpauperde stadion, met afgekeurde tribunes waar geen publiek meer op mag, gerenoveerd wordt.

Mister Haarlem Wentink speelde tussen 1963 en 1978 524 wedstrijden voor de club, doet nog een wanhopige poging om zijn club te redden. De bijna uitgestorven rood-blauwe leeuwen hoopten op een uitverkocht stadion tegen FC Dordrecht, maar er kwamen slechts 2630 toeschouwers opdagen.

Zij zagen de noodlijdende club kansloos verliezen en we moeten concluderen dat Haarlem nog steeds niet leeft bij het publiek. Ik respecteer alle goede bedoelingen, maar kun je potentiële geldschieters nog wel met goed fatsoen vragen of ze in de club willen investeren? Of moeten we concluderen dat de club geen bestaansrecht heeft?

Indien de club overleeft, moet er een plan van aanpak komen. Wentink zou een ideale financiële man zijn, maar hij heeft niets aan een reddingsboei van negen ton als iedereen vervolgens overgaat tot de orde van de dag. Haarlem moet op de kaart gezet worden.

Van Hanegem woont om de hoek, hij is een uitermate geschikte technisch directeur die ook nog sponsors aanzuigt. En Ajax moet vervolgens een representatief elftal met rijpende talenten in Haarlem stationeren. De club heeft ruim zeventig contractspelers, daar zullen er toch wel twintig bij zitten die moeten rijpen in de Jupiler League? En als Ajax niet meewerkt, moeten alle clubsentimenten genegeerd worden. Dan is een doorstart onrealistisch en pure geld verkwisting.


Johan Derksen

SPELERS

CLUBS

COMPETITIES

WEDSTRIJD

'Dit is niet normaal; bij John is een kans een goal'
Feyenoord-trainer Ronald Koeman over John Guidetti, die zondag tegen Vitesse zijn derde hattrick op rij in een thuisduel produceerde (clubsite)